Het onderwijs en de kinderen, overgeleverd aan neoliberale sociaaldemocraten

“By now, the costs of education are just out of sight for the individual. Again, it’s part of the neoliberal concept of transferring costs to individuals and away from the government, which means away from some form of mild taxation. So, transfer the burdens away from the rich and let individuals suffer.
In a manufacturing plant, let’s say, if you can get cheap exploited workers in China or the Philippines or Vietnam, why pay for decent wages for workers here? You transfer production. In the universities it means if you can get temporary cheap labor to replace tenured faculty, why not do it? So, shift instruction to graduate students, adjuncts, temporary employees with no rights who can’t ask for any benefits. They’re cheap. That’s called efficient. It cuts down costs.
That’s part of the, essentially, neoliberal concept of efficiency. It transfers costs and burdens to individuals who have no recourse and protection from the rich and powerful.
Well, in the universities it’s the same. If you transfer teaching to graduate students and adjuncts, there’s a cost to the students and to the people who are doing it. They should be involved in constructive work themselves and not being farmed out to fill classrooms. But, for the students also, they’re losing a large part of the educational benefit. That’s a cost to individuals, so it doesn’t count in the corporate business version of how to run things efficiently.”
Noam Chomsky (2015:167-168) in een interview met Ricardo & Joao Rosa

Onderwijsminister Jet Bussemaker is van de PvdA en de PvdA fungeert en opereert als bijwagen van de VVD in deze neoliberale coalitieregering. Jet Bussemaker zei dus helemaal niets vreemds toen ze beweerde: “ ‘Wat mij stoort, is dat iedereen alleen maar hogerop wil. Met een vwo-diploma wil iedereen naar de universiteit. Een mbo-diploma zou niet goed genoeg zijn, terwijl dat ook een prima diploma is. Het is belangrijker om de juiste student op de juiste plek te krijgen.’ “
Wat wel vreemd is dat velen deze PvdA blijkbaar nog steeds als een sociaaldemocratische partij zien, die verheffing door onderwijs als vanzelfsprekend beschouwt. Menige columnist viel dan ook over minister Bussemaker heen, terwijl de arme ziel alleen maar eerlijk was. Immers: “In plaats van tegenbeweging zijn de sociaaldemocraten bondgenoot van het neoliberalisme. In ideologisch opzicht is dat een fataal verbond, zegt socioloog Willem Trommel, waardoor de PvdA niet meer de maatschappijkritische factor van weleer is. ‘Neoliberaal denken is nogal agressief antimaatschappelijk, gericht op een politiek van sociale ontbinding’, zegt hij. ‘Daarmee staat het haaks op de waarde die het hart van de sociaaldemocratie uitmaakt: solidariteit. Waardoor verkeert de PvdA in een diepe crisis? Doordat ze meeloopt met het neoliberalisme.’ “
Rutte over Sam
drie klassen
Een academische opleiding is al lang geen garantie meer voor een goedbetaalde baan die bovendien arbeidsvoldoening verschaft en ontplooiïngsmogelijkheden biedt. We stevenen af op een maatschappij die globaal uit drie klassen bestaat: een top, het midden en de onderkant. De top bestaat uit degenen die vermogens bezitten, hetzij door erfenissen, hetzij doordat zij beschikken over netwerken waardoor ze terechtkomen op de posities waaraan riante remuneraties gekoppeld zijn, hetzij door een combinatie van voornoemde omstandigheden.
Thomas Piketty en anderen noemen ze ‘de 1%’. De middenmoot bestaat uit degenen die hun inkomen grotendeels of geheel uit arbeid moeten verwerven. Door keihard werken en sappelen zal een deel misschien bescheiden kunnen sparen, maar zij zullen bijna nooit tot die top van superrijken doorstoten. Volgens Piketty komt dit omdat de economische groei daalt (bijvoorbeeld door vergrijzing, en straks dus ook nog eens door lager opgeleide burgers), terwijl het rendement op vermogen gelijk blijft en dus ten opzichte van de economische groei (de arbeidsinkomens) toeneemt. De onderkant tenslotte, bestaat uit degenen die zijn te vergelijken met de ‘gamma’s’ uit George Orwells ‘1984’. Ze zijn of werkloos of behoren tot de steeds groter wordende groep ‘werkende armen’ (working poor).
Barbara Ehrenreich schreef er een boeiend boek over Nickel and Dimed: On (Not) Getting By in America. Hoe hard ze ook ploeteren, ze kunnen de eindjes slechts met moeite aan elkaar knopen.
De onderkant van groep twee, moet bovendien alle zeilen bijzetten om niet in de situatie van groep drie te geraken en onafwendbaar in de neerwaartse spiraal terecht te komen.
Wat heb je in een dergelijke maatschappij aan een universitaire opleiding die wordt bekroond met een certificaat dat verwachtingen en ambities genereert, die (bijna) nooit (helemaal) zullen kunnen worden ingelost? Daar kweek je enkel ontevreden en rancuneuze burgers mee. Een lagere opleiding en onderdemaats onderwijs leren de burger zijn boterham-met-tevredenheid zonder morren en liefst dankbaar te consumeren. Als je voor een dubbeltje geboren bent, dan moet je vooral geen kwartje willen worden. De plannen met de btw-tarieven die momenteel door de VVD worden gepitched en gepushed, passen perfect in dit kader
De NRC van vandaag 17-06-2015 kopt op de voorpagina: “VVD en PvdA willen 5 miljard vrijspelen door btw-tarief van 6 procent fors in te perken. Het huidige btw-regime moet op de schop. Behoudens primaire levensmiddelen zullen de honderden diensten en producten die nu onder het lage btw-tarief van 6 procent vallen, gelijk worden getrokken met het standaardtarief van 21 procent.”
Voor het basisvoedsel – die boterham-met-tevredenheid – blijft het ‘lage’ btw-tarief gelden en voor de ‘luxe’ zaken gaat het naar 21 %. Zelfs de SP staat hier positief en sympathiek tegenover geloof ik te hebben gelezen. Geen wonder dat de bekokstovers van dit “herziene belastingstelsel” (de VVD en de PvdA dus) hun wrochtsel nog niet openbaar maken: eerst moeten de geesten rijp gemaakt worden om dit als een vorm van There Is No Alternative te gaan zien.
Straks, wanneer allerwege de loftrompet wordt gestoken over dit geniale staaltje van politiek-bestuurlijk knutselen, dan wordt de hele mikmak onder ketelmuziek en met een grote strik eromheen gepresenteerd en zal waarschijnlijk iedereen zich vol bewondering vergapen aan de nieuwe kleren van de keizer. En passant wordt door deze belastingtruc natuurlijk ook de AOW uitgehold, hoewel ze nominaal onaangetast blijft.
Kerndoel is het verder verlagen van de loonkosten, zodat er ‘banen’ bijkomen. Dat zullen vooral hamburger en McDonalds-banen zijn, waarvoor je niet naar de universiteit hoeft. Een fors deel van die quasi- en pseudobanen zal ontstaan doordat burgers taken moeten overnemen van de overheid. Hoogstwaarschijnlijk onbetaald of anders tegen een symbolisch bedrag. De ‘managers’, inclusief de politiek-bestuurlijke, blijven natuurlijk buiten deze naargeestige carrousel. Zij regelen immers het verkeer. topinkomens2
de IKEA-doe-het-zelf maatschappij
Thijs Niemantsverdriet (NRC 23-05-2015) vertelt dat de wetenschappelijke bureaus van de grote politieke partijen druk in de weer zouden zijn dit project handen en voeten te geven. Niemantsverdriet: “Ook denken bijna alle denktanks, van links tot rechts, na over de volgende vraag: hoe kunnen burgers taken overnemen van de overheid? Ze noemen het allemaal anders: ‘participatiesamenleving’ (VVD en PvdA), ‘relatieprincipe’ (D66), ‘coöperatiemaatschappij’ (ChristenUnie) of het ‘Nieuwe Midden’ (CDA). Het komt op hetzelfde neer: hoe kan de overheid burgers steunen die lokaal een zwembad of bibliotheek willen overnemen, die een energiecoöperatie hebben opgericht of daklozen willen helpen?”
In de bundel “Omstreden vrijheid” die begin dit jaar het licht zag, beschrijft Margot Trappenburg (bladzijde 175-184) deze ontwikkeling als “De opkomst van het IKEA-principe”. “De opmars van het IKEA-principe resulteert niet in minder werk. Het leidt tot minder betaald werk en tot een andere verdeling tussen betaald en onbetaald werk. Vooral in de publieke sector zou de invoering van het IKEA-principe kunnen leiden tot een stap terug in de tijd.”  Dat is precies de opzet en bedoeling, natuurlijk.
In ons onderwijs wordt dit IKEA-principe reeds ongemerkt toegepast: ouders moeten een flink deel van de taken verrichten die normaliter op school door de leerkrachten verricht zouden moeten worden. In Amerika wordt dit concept van service-learning reeds op grote schaal toegepast en in Nederland beginnen enkele universiteiten het in te voeren.
Sanne Bloemink schrijft over dit overhevelen van kosten naar de burger in: De Google Klas. Citaat: “Mijn zoontje heeft wel veel richting gekregen. Zijn leraar is vrijwel altijd (online en offline) beschikbaar voor praktische vragen, maar de waarheid is dat de meeste inhoudelijke begeleiding is gekomen van ons, zijn ouders. We hebben er heel wat uren in gestoken. Tot groot genoegen overigens, maar dit roept wel weer nieuwe vragen op. Ben ik de aangewezen persoon om deze inhoudelijke kennis over te dragen? En: wat gebeurt er als er thuis niemand is om richting te geven aan het onderzoek van het kind?”
De mantelzorg betreft hetzelfde IKEA-doe-het-zelf principe,maar dan voor onze senioren.
De winsten en rendementen die al deze moves en manipulaties genereren, zullen ongetwijfeld linea recta naar de top vloeien. Verpakt in mooie verhalen die het klootjesvolk ervan overtuigen dat het echt niet anders kan, dat dit werkelijk de enige en beste oplossing voor ons allemaal is en dat we er allemaal alleen maar wijzer van worden op de koop toe. Het is je reinste volksverlakkerij, georganiseerd, bekokstoofd en uitgerold van overheidswege.
volksverlakkerij
Willem Trommel wijdt in “Omstreden vrijheid” op bladzijde 109 een ironische paragraaf aan de volksverlakkerij van het merk PvdA.
Ik citeer: “Neoliberalisme is werkelijk overal, en het valt dan ook niet mee hiervan los te komen. Van enige afstand bekeken, lijkt het erop dat de sociaaldemocratie inmiddels op zoek is naar een ontsnappingsroute. Het Van waarde-project, in het leven geroepen door het wetenschappelijk instituut van de PvdA, is hiervan een indrukwekkend voorbeeld. Op zoek naar wat in onze tijd van waarde is of zou moeten zijn, voorbij de neoliberale moraal, zijn er in dit project interessante uitgangspunten geformuleerd, waaronder het ‘van ik naar ons-principe’ en respect voor ‘goed werk’. Op een partijcongres in 2013 werd de nieuwe koers met een heuse resolutie omarmd, waarna de partij overging tot de orde van de dag. Samen met de VVD doorwerken aan een neoliberaal regeerakkoord.”
Houellebecq en het belang van onderwijs
Trommel verwijst in zijn stuk veelvuldig naar het werk van de Franse schrijver Michel Houellebecq. Toen de aanslag op Charlie Hebdo (07-01-2015) plaatsvond, lag Trommels tekst waarschijnlijk al bij de boekbinder, want de eerste druk van dit WBS-jaarboek ‘Omstreden vrijheid’ verscheen in februari 2105.
Des te verrassender dat Houellebecq in zijn laatste roman ‘Sousmission’, die een dag na de aanslag verscheen, de pas gekozen eerste Franse moslimpresident Mohammed Ben Abbes de gevestigde politieke partijen de ministeries en andere gewilde politieke posten onderling laat verdelen. Op een uitzondering na: het Ministerie van Onderwijs.
In tegenstelling tot zijn coalitiepartners beseft Ben Abbes namelijk terdege dat het lot van een natie en de bestemming van een land afhankelijk zijn van het onderwijs dat ze haar jeugd biedt. Hilarisch-wrang dat uitgerekend Onderwijs bij ons in Nederland (alweer) in handen van een PvdA-minister is. th_6763431e90b8ffbdac8e034ec4c1bf48_1392743641ActieplanGezondeScholen
Volkskrant-columniste Aleid Truijens schrijft naar aanleiding van Bussemakers gewraakte opinie: “Wat de minister óók had kunnen zeggen: we hebben te veel studenten aan de universiteit, we kunnen ze geen behoorlijk onderwijs meer bieden. Of: het hoger onderwijs is aan zijn eigen succes ten onder gegaan. Beide zijn waar. We moesten en zouden 40 procent hoger opgeleiden hebben, om de kenniseconomie voort te stuwen, maar nu dankzij stug beleid die doelstelling is bereikt, zitten we met de gebakken peren: veel matig opgeleide en werkloze academici.”
Inderdaad: dat is wat ruim dertig jaar politiek gefröbel en geknutsel aan ons onderwijs heeft opgeleverd. Die matig opgeleide academici kunnen zich beter zo gauw mogelijk vertrouwd maken met het idee dat ze  waarschijnlijk nooit in bovenste regionen van het midden terecht komen, laat staan dat ze tot die top van 1 % zullen doorstoten. Tenzij ze rijke erflaters hebben of al vroeg deel uitmaken van de juiste politiek-bestuurlijke netwerken en het spel slim leren spelen. Vermoedelijk waren ze er psychologisch-emotioneel beschouwd beter mee af geweest indien ze geen academische titel hadden behaald.
In Prediker 1:18 staat niet voor niets dat wie kennis vermeerdert ook smart vermeerdert.
eigen belang
Wat er vanuit Den Haag tot ons komt aan ideëen en beleidsvoornemens belooft weinig goeds voor degenen die mochten hopen op een verandering van het politieke klimaat in Nederland. Zelfs indien de PvdA bij de volgende verkiezingen qua zetelaantal wordt gedecimeerd, wat is dan het alternatief? Welk etiket een politiek merk ook opplakt, je hoeft maar even te krabben om de neoliberale inhoud te zien, te ruiken en te voelen.
De meeste politici verdienen immers een ruim bovenmodaal salaris dat ze niet snel geneigd zullen zijn in de waagschaal te stellen. Waar gekozen volksvertegenwoordigers vandaag de dag werkelijk voor staan en wiens belangen ze het beste vertegenwoordigen, weet niemand meer zeker, want je kunt niet in hoofden en harten kijken.
Dat helaas het eigenbelang bij vele publieke bestuurders voorop staat, is een besef dat tot steeds grotere delen van het kiezersvolk doordringt. Dat besef draagt allerminst bij tot een plezierig, productief en constructief maatschappelijk leefklimaat.

“The system of elections and the demagoguery of election campaigns have managed to ensure that the people’s passing interests are always represented and always satisfied. Their more permanent interests may be often thwarted and for long periods at a time. We must therefore again conclude that modern government is really coercive rule by oligarchic demagogues. The actual rulers are the few and the privileged, and they secure and maintain rule by propaganda.
“[W]hen it is a question of citizens proper, one must recall that the system of representation (or representative democracy, as it is called) that exists today effectively deprives everyone of citizenship save the actual representatives themselves. The reason is the special character of electing and election campaigns described earlier. If voting is going to be a serious exercise of choice, candidates will not be chosen in advance, there will be no campaigning, there will be regular and full account-giving by the elected to the voters, and the voters will be able to ensure that delinquents are recalled and properly punished.”
Peter L.P. Simpson (2015: 44-45,114): Political Illiberalism. A Defense of Freedom


Literatuur

Aleid Truijens: Iedereen waar hij hoort, net de middeleeuwen – Volkskrant 13 juni 2015
Maartje Bakker, interview met minister Bussemaker: ‘Studenten moeten uit hun comfortzone komen’ –  Volkskrant 6 juni 2015
Wilco Dekker: Kloof tussen arm en rijk groeit snel in Nederland – Volkskrant 19 januari 2015  http://www.volkskrant.nl/economie/kloof-tussen-arm-en-rijk-groeit-snel-in-nederland~a3832426/
De artikelen van Margot Trappenburg (‘De opkomst van het IKEA-principe’) en Willem Trommel (‘Vrij van neoliberale drang’) staan in de bundel Omstreden vrijheid – 2015, Amsterdam: Wiardi Beckman Stichting & Uitgeverij Van Gennep / isbn: 9 789461643407 (paperback)
Willem Trommel: De overheid is geen bedrijf – De Groene Amsterdammer – woensdag 25 maart 2015 https://www.groene.nl/artikel/de-overheid-is-geen-bedrijf
Sanne Bloemink: De Google Klas – 21st century skills in het onderwijs: revolutie of hype? – De Groene Amsterdammer, nummer 28, 11.6.2015
Over Houellebecqs roman Sousmission, onder andere: http://www.trouw.nl/tr/nl/33627/Aanslag-Charlie-Hebdo/article/detail/3825568/2015/01/09/Van-Submission-naar-Soumission-is-Houellebecq-de-nieuwe-Van-Gogh.dhtml
Zie ook: Mark Lilla: Slouching Toward Mecca    http://www.nybooks.com/articles/archives/2015/apr/02/slouching-toward-mecca/
Thijs Niemantsverdriet: Zij bepalen de politieke thema’sNRC 23 mei 2015
http://www.nrc.nl/handelsblad/van/2015/mei/23/zij-bepalen-de-politieke-themas-1497614
Ricardo D. Rosa & Joao J. Rosa (2015): Capitalism’s Educational Catastrophe And The Advancing Endgame Revolt – featuring an interview with Noam Chomsky  / New York, Bern, Frankfurt etc.: Peter Lang / ISBN: 978-1-4331-2458-7 (paperback) / het interview met Noam Chomsky staat op pagina 166 – 171.
Joel Spring (2015): Economization of Education. Human Capital, Global Corporations, Skills-Based Schooling / New York and London: Routledge / ISBN: 978-1-138-84461-2 (pbk)
Peter L.P. Simpson (2015): Political Illiberalism. A Defense of Freedom / New Brunswick & London: Transaction Publishers / ISBN: 978-1-4128-5574-7 (hbk)
 
 

Politiek als commodity: Wie appelen vaart, appelen eet

Jerry Mager – 2015 02 16, 18

“En mettant les connards dedans des peaux de vaches,
En mélangeant les genres, vous avez fait d’la terre
Ce qu’elle est : une pétaudière !
Georges Brassens (1921-1981 ) Quand les cons sont braves

G. Brassens Les Cons
Terwijl Brassens croont dat alles nog zou meevallen indien de sukkelaars en schlemielen van deze wereld, zoals u en ik, zich maar niet zouden bemoeien met dingen waar ze de bramen verstand van hebben, komen de jongelui binnen. Maar helaas, ze worden generaal of partijleider, zingt Brassens, en dan vallen er doden, dan gaat het mis.
‘’Die VVD’er Mark Verheijen is de beste propaganda van de Nederlandse neoliberalen tot nu toe!” Floris, die dit beweert, is met Nelleke naar het Rotterdamse filmfestival geweest en heeft daar bij Everyday Propaganda een workshop gevolgd waarin je een Noord-Koreaanse propagandafilm kon maken.
“Zo’n workshop, dat is veilig en politiek correct,” valt Nelleke bij, ”want Noord-Korea hoort net als de IS, het zogenaamde kalifaat, bij de vijand die wij moeten vrezen en verafschuwen. Maar Putin’s Kleptocracy van Karen Dawisha laat zich inmiddels bijna één op één lezen met wat hier gebeurt: ook hier misbruiken politici hun posities om privébelangen te behartigen. “ Jeanine wil weten wat het verband is met de propaganda waarover Floris het heeft en die licht toe: “Nou kijk, een lid van de Tweede Kamer, in dit geval de VVD’er Mark Verheijen, sjoemelt met belastinggeld – hij en zijn vriendjes spenderen belastinggeld aan privé-pleziertjes – en prompt springen VVD-kopstukken onder wie de VVD-premier Mark Rutte en de VVD-fractieleider Halbe Zijlstra voor die Verheijen op de bres. Zij roepen als het ware: Wij gaan als democratisch gekozen bestuurders over uw belastinggelden dus mogen wij vanzelfsprekend voor onszelf naar believen uit de Staatsruif graaien hoeveel en wanneer ons dat goeddunkt. Wie appelen vaart, appelen eet. Ook politiek is ge-commodificeerd.”
Nelleke vult aan: “Die propagandistische boodschap beweert doodordinair, dat je als lid van een politieke partij – of tenminste indirect, als stemmer op die partij – rechtstreeks kunt graaien en profiteren op rekening van het gemeen, ten koste van de publieke middelen. Columnist Bas Heijne schetst dat scherp in zijn laatste column. Jammer dat zulke stukken geen effect sorteren. Deze kritiek is geïnstitutionaliseerd: in een democratie mag je beschaafd kritiek uiten, in een dure krant, maar dat zal het establishment aan de schoenzolen roesten, die gaan gewoon hun gang. Men stemt toch wel.”

“It is those assumptions of the intimate and unbreakable link between the quality of the commonwealth and the chances of individual happiness that have lost, or are fast losing, their axiomatic hold on the popular thinking as well as on the products of its intellectually sublimated recycling. And it is perhaps for that reason that the assumed conditions for individual happiness are being shifted away from the supraindividual sphere of Politics with a capital P and toward the domain of individual life-politics, postulated as the field of primarily individual undertakings in which individually commanded and managed resources are mainly, if not exclusively, deployed.”
Zygmunt Bauman (2009:117): Does ethics have a chance in a world of consumers?

“Ben ik het mee eens,” zegt Jeanine, “maar laten we het in dat geval dan nog duidelijker stellen: dit gedrag gaat niet alleen op voor de neoliberalen van deze VVD, maar voor alle politieke merken. In het bijzonder voor lidmaten van die politieke partijen die regeringsmacht uitoefenen.” Ze wijst ter illustratie op het artikel over de jarenlange “verspillingen” van miljarden aan belastinggeld middels ICT-projecten, dat recent door de onderzoeksredactie van de Groene Amsterdammer werd opgesteld: “Gezellig samen falen: waarom ICT-projecten bij de overheid steevast te duur uitvallen ” (De Groene Amsterdammer 12.02.2015).
miljarden belastinggeld ‘verdampt’
Jeanine: “Hierin worden de VVD’ers Stef Blok en Ton Elias genoemd, naast CDA’er Jan Kees de Jager en PvdA’er Ronald Plasterk. In feite fungeren ze als ordinaire doorschuivers van belastingmiljarden naar vage private partijen. Ze laten gewoon miljarden verdampen door betalingen voor niet- of minimaal geleverde tegenprestaties; meestal betalen ze met onze centen voor een wassen neus.
Een VVD’er Ton Elias leidde een onderzoekscommissie naar de miljardenverspillingen, maar deed dat volgens de onderzoeksredactie van de Groene op een wijze die weer eens duidelijk maakt dat de beste manier om te voorkomen dat de waarheid aan het licht komt, toch nog altijd is om partij- en clubgenootjes te belasten met het onderzoek naar de gewraakte praktijken.”
Nelleke: “Ik vind het veelzeggend dat die onderzoeksredactie van de Groene niet wordt aangeklaagd wegens smaad, want ze noemen man en paard. Luister maar naar deze passage in de Groene:
‘De commissie-Elias gaat net als haar voorgangers voorbij aan het échte probleem: de overheid wil helemaal geen controle over de ictprojecten, al jaren niet. Ze besteedt de bouw van nieuwe systemen en ook de bouwbegeleiding vaak uit aan ingehuurde bedrijven. Gaandeweg is een oligopolie ontstaan van een klein aantal bedrijven die de ontwikkeling van ict binnen de overheid domineren en voor wie die overheid goed is voor bijna de helft van hun inkomsten.’
Sjaak: “Dit is een regelrechte beschuldiging van corruptie: ‘de overheid wil helemaal geen controle.’ Dan weet iedereen hoe laat het is: de ambtenaren en politici spekken de zakken van de oligopolisten en die sluizen een percentage terug naar degenen die ze de vette opdrachten gunnen en ongecontroleerd laten aanrommelen, c.q. de politici en ambtenaren. In natura of cash onder de tafel. Onfris en onsmakelijk, maar het gebeurt in alle openheid en niemand kijkt er meer van op. Zo gaat dat tegenwoordig nu eenmaal.
Wie appelen vaart appelen eet, toch? Ja ja, en dan hypocriet roepen dat de burger geen vertrouwen heeft en niet begrijpt hoe ingewikkeld en complex de materie is, bla, bla, bla…. De media hebben boter op hun hoofd, want die dúrven er niet over te schrijven. Slippendragers en lakeien van het establishment en dus net zo besmet. ”
Floris: “Je kunt ze niet te hard vallen, want ze moeten overleven en dat heet vandaag de dag: productie draaien voor de klanten. Misschien nog net niet: u vraagt en wij draaien, maar erg veel zal het niet schelen. Wat zou jij denken als jouw werkgever, jouw krant – dat is nog iets intiemer zou ik denken – alweer werd verpatst voor een nog lucratiever rendement-op-een-investering? Dan hoeft niemand jou te vertellen dat jij er helemaal niet meer toe doet. Jij bent een inktkoelie, die voor niet-aanstootgevende content dient te zorgen. Punt uit.”
g_brass-brun-70prct
Nelleke vist een prop papier uit haar supermarkttas: “Hoezo niet hard vallen?! Journalisten moeten op z’n minst nagaan of ze geen onzin opschrijven. Kijk hier, “ ze strijkt een prop kranten vlak, “ het journaille beschuldigde afgelopen jaar de tegenstemmers tegen de zogenaamde Zorgwet van VVD-troela Edith Schippers van rancune. Guusje ter Horst, Adri Duivesteijn en nog een PvdA-Eerste Kamerlid, Marijke Linthorst, zouden een kabinetscrisis veroorzaken door tegen te stemmen. Alsof dat niet evengoed of net zo slecht zou zijn trouwens, een kabinetscrisis. Poeh, wat we dan op het pluche zouden krijgen zou in het gunstigste geval even beroerd zijn. Journailleurs van dit allooi klonteren om kreten: Kabinetscrisis! Nederland onbestuurbaar! Het mocht wat. Maar dit terzijde, waar ging het om. Econoom Sweder van Wijnbergen legt het uit: ‘Plan Schippers drijft zorgkosten juist op’, want VVD-mevrouw Schippers is weliswaar een gehaaide tante met een flinke dosis boer’n slimheid, maar van verbanden leggen en logisch-empathisch nadenken kun je haar niet betichten! “
Sjaak schenkt thee en koffie bij: “Sssst … Cornelie, er komt stoom uit je fontanel en uit je oren! Neem gauw een slok lauwe kruidenthee.”
Nelleke slurpt haastig van de mok die Floris gedienstig aanreikt: “Zou die Van Wijnbergen trouwens nog lid van die vreselijke PvdA zijn? Die domme club, die zijn meest kritische denkers dumpt en de connards op het pluche plakt?! Anyway, die Edith Schippers dus, die zou met haar gedrocht de toegang van nieuwe toetreders (artsen, dokters) blokkeren, omdat die buiten de oligopolie van de gevestigde contractpartijen vallen. Wanneer je als patiënt, sorry: zorgconsument, bij zo’n ongecontracteerde arts wil, dan moet je 100% zelf dokken. Terwijl juist nieuwe toetreders, die dezelfde of zelfs hogere kwaliteit zorg leveren, de prijs – waarop deze neoliberale politici altijd zo geilen – omlaag brengen door voor concurrentie te zorgen. Dat is toch waar de club van Schippers beweert voor te staan: vrije marktwerking en gezonde concurrentie.”
Floris: “Dat is propaganda. Elke politieke club bedient tegenwoordig ongegeneerd een deelbelang. Vooral het deelbelang van de carrière-politicus zelf. In dit geval worden de zorgmanagers bediend en degenen die het eigenlijke werk doen, de medici en overige zorgprofessionals, die worden afgeknepen en klein gemaakt. Daar gaat het natuurlijk om: arbeid die werkelijke, aantoonbare, toegevoegde waarde genereert, wordt met minachting bejegend; of het gaat om schoonmakers, leraren of dokters, dat maakt geen verschil. De vaklui die iets maken, iets nuttigs leveren, die krijgen het van deze politici voor de kiezen. Die madam Schippers en monsieur Martin van Rijn, die krijgen straks een gematste baan bij een zorginstelling of ze worden zorglobbyist whatever that may be. Kunnen ze het nog beroerder voor ons maken, terwijl ze financieel binnenlopen.
Ik kan geen speld tussen het betoog van Sweder van Wijnbergen krijgen. Óf VVD-tante Schippers snapt niet waarover het gaat, óf ze bevoordeelt willens en wetens de zorgmanagers, ten koste van de burgers. De ronkende windbuilen, les connards et les emmerdeurs bien sûr, die strijken de poen op. Met die mediagenieke PvdA’er Martin van Rijn is die troela van Schippers een sneu span voor dezelfde naargeestige bokkenwagen. Maar, je hebt gelijk wat de media betreft.. Vandaar dat zulke personen als Schippers en die Van Rijn gecast zijn voor hun jobs. De partijbonzen willen geen lieden aan de knoppen die zelfstandig kunnen nadenken en overzien wat hun beleid voor uitwerking heeft, en die behept zijn met een geweten op de koop toe.”
Sjaak, hoofdschuddend: “In beide gevallen zou die Schippers dus fout zijn, Floris. Als ze niet snapt wat ze doet, is ze ongeschikt voor de baan en als ze de burger willens en wetens bedondert, ook. Moet je nagaan dat die VVD een miljoen euro klaar heeft liggen voor de reclamecampagne rond die Statenverkiezingen. Reken maar dat de krantenartikelen al voorgekookt en geschreven zijn en de instant-persberichten klaarliggen. Dat moet gewoon verboden worden, zoals Benjamin Barber al jaren roept. Onder het mom van ‘het de mensen nog beter uitleggen wat we doen’ schaamteloos propaganda produceren en de massa manipuleren ….. jammerlijk is dat! Slim van de NRC: schrijf zelf geen kritisch stuk dat hout snijdt, maar laat dat doen door een (in deze context, onverdachte!) buitenstaander. Zover ik kan nagaan, hanteert de NRC deze formule het meest consequent.”
Jeanine: “Het legt de eigenaars geen windeieren, zoals we onlangs nog hebben gezien.” Ze grinnikt: “Vreemd genoeg wil nog menig fatsoenlijke persoon in de NRC schrijven. Maarre, in de zorg is dus hetzelfde aan de gang als bij deze ICT soap over snaaien en snoepen door politici. Graaien wat en waar je maar kunt. Zorgverzekeraars boeken steeds hogere winsten die ze uitkeren aan aandeelhouders. Daarmee lappen ze Europese regelgeving doodleuk aan hun klompen. Trouwens, ICT-producent Ordina, een van de hoofdrolspelers in dat andere politieke miljardencircus, is op tv in het programma Zembla gefileerd.
Politici misbruiken hun positie om miljarden te ‘verspillen’, dat wil hier doodgewoon zeggen: naar vriendjes te schuiven onder het doorzichtige mom van opdrachtenverstrekking. Naderhand, of misschien wel meteen al, krijgen zij natuurlijk hun aandeel uitbetaald, in welke vorm dan ook. Niemand wordt er nog warm of koud van. We kijken intussen naar dat soort programma’s alsof het ons niet raakt en niet ook over ons gaat.”
Brassens par malheur sur terre
Kijk, echte corruptie komt alleen in bananenstaten als Rusland voor, zoals we met plaatsvervangende verontwaardiging en misschien misplaatst leedvermaak kunnen lezen in een boek als van Karin Dawisha. Of in artikelen en reportages over de wijdverspreide corruptie in Griekenland. Bij ons gebeurt zoiets niet, neen hoor, onze politici zijn natuurlijk niet corrupt. Bovendien: wat kunnen we er aan doen? De dames en heren, leden van de politiek-bestuurlijke oligarchie, gaan gewoon hun gang, in de wetenschap dat het stemvee straks toch weer gedwee gaat stemmen.
Sjaak draait het volume van de geluidinstallatie iets op en Georges Brassens zingt melancholiek dat het onze eigen schuld is, want door de kloothommels op het pluche te stemmen en ze aan de knoppen te laten draaien, door het schuurtje niet bij het huis te houden … “ … En mettant les connards dedans des peaux de vaches,/ En mélangeant les genres, vous avez fait d’la terre / Ce qu’elle est : une pétaudière ! ‘’ hebben wij van deze wereld een zooitje gemaakt.
Floris roept vrolijk lachend: “Ga dus vooral stemmen bij de Statenverkiezingen op 18 maart 2015 en word meteen lid van een politieke partij. De wereld zal er daardoor vast weer stukken op vooruitgaan.”
Terwijl ze een verse pot pindakaas openschroeft, smaalt Nelleke grijnzend: “Ik ben bla, bla, blasé blasissimae en ik kan de anemische analyses en diepe duidingen na die komende Statenverkiezingen nu al grotendeels zelf schrijven. Bla, bla, bla…… en ze drinken een glas en plegen hun plas en alles wordt nog erger dan het toch al was.”

Barabas_PvdA

Ter aanvulling en contrastering columnist Rob de Wijk in Trouw / 13 02 2015, over de eroderende moraal, bij de burger welteverstaan ….
“Elk houvast is verdwenen. En met het verzwakken van de invloed van godsdienst en het verdwijnen van de ideologie uit het politieke en maatschappelijke discours zijn ook de morele ijkpunten verdwenen. Een losgeslagen maatschappij houdt vast aan het bekende. Zeker voor wie hard is getroffen door de financiële crisis blijft er dan weinig anders over dan extreem te stemmen. Er valt toch niets meer te verliezen.
Ik vind deze situatie met de dag zorgwekkender worden. In een stuurloze maatschappij wordt het redelijke midden door extreme partijen verpulverd en wordt het aanpassingsvermogen aangetast. Want extremen willen allemaal wat anders.
Burgers in heel Europa zetten zo alles op het spel dat de afgelopen jaren bepalend voor onze veiligheid en stabiliteit is geweest. Dat is precies het tegenovergestelde van wat de oprichters van de voorloper van de Unie ooit beoogden.”
S&W over politici
 

* * * * *

Verantwoording
Georges Brassens (1921-1981)  http://www.paroles.net/georges-brassens/paroles-quand-les-cons-sont-braves
De Groene Amsterdammer  http://www.groene.nl/artikel/gezellig-samen-falen   nummers van de Groene zijn in pdf van de site neer te laden voor 5 euro
Bas Heijne: “Grote jongens” http://www.nrc.nl/heijne/2015/02/15/grote-jongens/
Sweder van Wijnbergen: “Plan Schippers drijft de kosten van zorg juist op” / NRC 20 december 2014 (opinie-katern)
http://www.politalk.nl/2014/12/21/beperking-vrije-artsenkeuze-drijft-zorgkosten-juist-op/
Zembla
http://zembla.vara.nl/seizoenen/2014/afleveringen/02-10-2014/ict-bedrijf-ordina-fraudeerde-met-overheidsaanbestedingen
http://www.computable.nl/artikel/nieuws/overheid/5217930/1277202/zembla-maakt-followup-over-ordina-update.html
Zygmunt Bauman (2009): Does ethics have a chance in a world of consumers? / Harvard UP / isbn: 978-0-674-03351-1 (pbk)
Aanbevolen: Larry Siedentop (2014 ): Inventing the Individual; The Origins of Western Liberalism / London : Allen Lane, an imprint of Penguin Books / ISBN: 9780713996449 (hbk)

Soumission: de nieuwe Houellebecq is uit!

gepost door Jerry Mager op Work In Progress / zondag, 01 februari 2015 > aangevuld 03.02.15
“ ‘Na de oorlog, in 1946, werd Julian Huxley benoemd tot algemeen directeur van Unesco, die net was opgericht. In hetzelfde jaar publiceerde zijn broer [Aldous] Brave New World Revisited, waarin hij zijn eerste boek [Brave New World] probeert voor te stellen als een aanklacht, een satire. De metafysiche omwenteling die het materialisme en de moderne wetenschap heeft voortgebracht heeft twee grote gevolgen gehad: het rationalisme en het individualisme. Huxley’s fout is geweest dat hij het verband tusen die twee gevolgen verkeerd heeft ingeschat.
Heel specifiek gezegd is zijn fout geweest dat hij heeft onderschat hoezeer het individualisme zou toenemen onder invloed van het steeds sterker wordende doodsbesef. Individualisme leidt tot vrijheid, zelfbewustheid, de noodzaak je te onderscheiden en beter te zijn dan de anderen. In een rationele samenleving zoals beschreven in Brave New World kan de strijd worden verzacht. Economische concurrentie, een metafoor voor macht over de ruimte, heeft geen bestaansreden meer in een rijke samenleving waarin de economische stromen in toom worden gehouden. Maar Huxley rekent buiten het individualisme.
Waarom is het model van de Zweedse sociaaldemocratie er niet in geslaagd het liberale model te verdringen? Omdat de metafysische omwenteling waartoe de moderne wetenschap heeft geleid, noodzakelijkerwijs, individuatie, ijdelheid, haat en begeerte met zich meebrengt. In de kern van de zaak is begeerte – in tegenstelling tot genot – een bron van leed, haat en ongeluk. De erotisch-publicitaire maatschappij waarin wij leven, beijvert zich om die begeerte te organiseren, tot buitensporige proporties aan te wakkeren en de bevrediging ondertussen binnen de privé-sfeer te houden. Om de maatschappij te laten functioneren en de concurrentie te laten doorgaan, moet de begeerte blijven groeien, zich uitbreiden en het leven van de mensen verwoesten.’ “
Michel Houellebecq (1999:170-172): Elementaire deeltjes

Houel pres mus-60prct

“Het is niet de schuld van Michel Houellebecq dat zijn nieuwe roman Soumission (Onderwerping) in Frankrijk verscheen op de dag [7 januari 2015] dat fanatieke fundamentalisten de redactie van een satirisch tijdschrift afslachtten,” schrijft Jan Techau.
Over schuld zal ik het niet hebben, en Soumission heb ik nog niet gelezen, maar ik kan me levendig voorstellen dat de aanval door die twee moordenaars op het satirische weekblad Charlie Hebdo, beter in Soumission beschreven had kunnen worden dan in werkelijkheid uitgevoerd zoals gebeurd. Dat “de” moslims boos zijn op Houellebecq vanwege zijn boek kan ik me ook voorstellen. Tenminste, indien ik de samenvatting van Techau juist begrijp. Immers, volgens Techau eindigt Soumission ermee “dat de hoofdpersoon – een vertegenwoordiger van de vermoeide, middelmatige westerse elite – stilletjes gelukkig is omdat hij zich, na een minimaal verzet, niet meer hoeft te bekommeren om de druk die het moderne leven op hem legt.”
In dat geval zou alles dus voor niets zijn geweest en blijken de fundamentalisten net zo impotent als de westerse politici die zij middels hun jihad hebben onttroond en vervangen. Hun godsdienstige ideologie slaagt er evenmin in om Nietzsches laatste mens tot nieuw leven te wekken (zie voor een beschrijving van deze laatste mens, op internet, de voorrede tot Zarathustra).
Ik citeer Techau: “Soumission beschrijft een Franse samenleving die op instorten staat. Een charismatische moslimpoliticus is de populairste leider geworden, zijn partij is geleidelijk in aanzien gestegen en heeft de uitgeholde centrum-rechtse en centrum-linkse groeperingen weggedrukt. De Franse republikeinse elite besluit deze nieuwe kandidaat te steunen bij de presidentsverkiezingen van 2022 om te voor- komen dat Marine Le Pen, de populistische kandidaat van het extreem-rechtse Front National, de hoogste positie in het land zal opeisen. De nieuwe man wordt verkozen, en wat dan volgt is een verwrongen nieuwe Franse revolutie, ditmaal onder de vlag van de islam.
De invoering van islamitische, en zelfs fundamentalistische, idealen in de Franse maatschappij leidt tot een forse draai richting conservatisme; universiteiten en hogescholen worden verkocht aan Arabische sjeiks, en bekering tot de islam is een vereiste voor wie zijn baan bij de overheid wil houden. De plot is heel gewiekst en verleidelijk, niet alleen omdat hij inspeelt op de angsten die onder grote delen van de bevolking leven (een aspect dat het boek op een lading kritiek van de politiek correcte voorhoede is komen te staan), maar ook omdat het haarfijn de subtiele onderstromen bloot legt in het debat dat in het Westen wordt gevoerd over normen en waarden.
Ditmaal verbindt Houellebecq de onvermijdelijke politieke consequentie aan zijn kritiek op de vermoeide, decadente westerse cultuur.
Het Westen komt aan zijn eind, de politiek sterft af, de normen en waarden worden verworpen en de principes keren zich tegen zichzelf. Maar het eindigt niet met een tumultueuze botsing van beschavingen. Het eindigt ermee dat de hoofdpersoon – een vertegenwoordiger van de vermoeide, middelmatige westerse elite – stilletjes gelukkig is omdat hij zich, na een minimaal verzet, niet meer hoeft te bekommeren om de druk die het moderne leven op hem legt.” [einde citaat] peur sur la france_2 Indien Techau Soumission correct samenvat (voor zover dat al mogelijk is in zo’n kort bestek) en ik hem correct lees, slaan ook de fundamentalistische moslim-hervormers geen deuk in een pakje boter en zijn we met ons allen reddeloos verloren; als lemmingen dringen we massaal, globaal en integraal naar de onvermijdelijke afgrond. In ieder geval maak ik er tot dan maar het beste van. Dat doe ik ondermeer door andere profeten te lezen, bijvoorbeeld de Sloveen Slavoj Žižek, die onderhoudend schrijft en altijd goed blijft voor verrassende inzichten en nieuwe invalshoeken van waaruit je de problemen des levens kunt beschouwen en desgewenst re-framen.
Zo lees ik bij Žižek (2011:86) dat de fundamentalisten ons niet eens zouden kunnen bekeren, omdat ze “al zijn zoals wij, dat ze heimelijk onze normen al verinnerlijkt hebben en zichzelf daaraan meten.” Verrassend genoeg  – en dat vind ik het verfrissende aan Žižek – neemt hij twee regels verder meteen terug wat hij zegt, want wat volgens hem “de fundamentalisten werkelijk ontberen is paradoxaal genoeg een dosis van dat echte ‘racistische’ geloof in de eigen superioriteit.”
Gelukkig, ze zijn dus nog niet helemaal volmaakt, er valt toch nog iets te verbeteren. Alleen, de amish en tibetaanse boeddhisten erbij halen als voorbeelden van zuivere fundamentalisten in vergelijking tot de islamisten, vind ik slordig, want vergelijken van appels en peren.
De amish en de tibetanen zitten in hun eigen territorium en hebben geen geschiedenis van kolonisatie en gastarbeiderschap. Nu China Tibet heeft ingelijfd weet ik niet of die boeddhisten daar nog zo onverstoorbaar zijn als Žižek beweert. Een vietnamese (theravada) boeddhist stak zichzelf als protest in brand, 1963. Okay, hij nam geen andere mensen mee de dood in, maar effen en onaangedaan vind ik het allerminst.
zizek geweld_15prct gefopt met dooie mus
Als ik doorborduur op wat Žižek poneert, dan zou ik kunnen bedenken dat die fundamentalisten zo pisnijdig zijn, omdat ze – onze normen verinnerlijkt hebbende en zich daaraan metende – tot de ontdekking komen dat, 1) wij ons al lang niet meer aan die waarden en normen oriënteren en 2) dat wij hen, omdat zij zo naïef zijn dat wel te doen, eigenlijk maar sneue losers vinden.
Die fundi’s voelen zich zwaar bekocht omdat ze zich door ons een kat-in-de-zak blijken te hebben laten aansmeren, hoe je het ook wendt of keert: zij kunnen nooit winnen en zullen nooit worden als wij. Dus beginnen ze maar voor zichzelf, een heus kalifaat.
Ze zijn niet jaloers op ons, maar ze misgunnen ons te genieten van wat wij hebben – en zij blijkbaar niet, zonder te weten wat dat is – en daarom, zegt Žižek als ik hem goed begrijp, is er hier geen sprake van jaloezie of afgunst, maar moeten we van ressentiment spreken: zij kunnen het simpelweg niet hebben dat wij genieten. Waarvan wij genieten, dat weten wij net zo min als zij. Ik weet het eerlijk gezegd zelf ook niet helemaal: waar geniet ik nou 24/7/365 van? Het hóórt wel.
In ieder geval is Žižek (De Groene, 22.01.2015:26) van mening dat de aanslag op Charlie Hebdo niet mag worden beschouwd als een “ ‘gruwelijk voorval van voorbijgaande aard’. Deze aanslag volgde een zeer precieze religieuze en politieke agenda, en maakte als zodanig deel uit van een veel groter patroon. Uiteraard moeten we niet overreageren, als daarmee althans wordt bedoeld dat we niet ten prooi mogen vallen aan blinde islamofobie – maar we moeten dit patroon wél meedogenloos analyseren.” Let wel: we moeten hen meedogenloos analyseren, niet onszelf, maar vooral hen.

“Feitelijk is het gevoel van angst en wantrouwen tegenover de islam in alle westerse landen aanwezig, maar het modelleert zich en wordt beleefd volgens de geijkte voorstellingen van de politieke cultuur van elk land afzonderlijk. De choquerende elementen zijn van land tot land totaal verschillend, maar ieder land schrijft de islam een essentie toe die anders geaard is dan die van de westerse cultuur, hetgeen een enigszins paradoxaal element inbrengt: de islam wordt om de meest uiteenlopende redenen afgewezen maar tezamen vormen die redenen een soort negatieve Europese identiteit.”
Olivier Roy (2006:43): De islam en de scheiding van kerk en staat

Wat mij aan menige ‘analyse’ aan de hand van de aanslag van 7 januari irriteert en ongemakkelijk maakt, is het gevoel dat mij door zogenaamde experts wordt opgedrongen en door autoriteiten aangepraat onze manier van leven maar beter kritiekloos goed te vinden, omdat zij – de slechteriken dus – ons onze manier van leven blijkbaar misgunnen. Niet miezen en mauwen: dan doen wij het dus per definitie buitengewoon goed.
Dat is net iets subtieler dan wat ik de laatste tijd vaak om me heen hoorde: reken maar dat de politici deze aanslag goed uitkomt, zij spinnen er garen bij, want het klootjesvolk is weer bang en heeft een externe vijand, zodat de aandacht van het politieke geklungel wordt afgeleid. Nu kunnen ze ons weer afknijpen, want wij hebben de politici nodig voor onze veiligheid. Paradoxaal en ergerlijk genoeg is wel dat hun incompetentie de omstandigheden schept die hun werk verschaft, omdat het gros van de massa naar hen opkijkt om raad en leiding. CH_houel 30prct
meedogenloze analyse
Ik vind Žižek daarom zo verfrissend schrijven, omdat hij mij door zijn stellingnamen en formuleringen vaak automatisch verleidt tot het stellen van een tegenvraag. Als hij zegt dat wij de fundamen­talisten meedogenloos moeten analyseren, denk ik meteen: waarom onszelf niet even meedogenloos geanalyseerd? Wat is er zo benijdenswaardig aan onze leefwijze en de manier waarop wij onze planeet inrichten en uitbaten, dat het hen tot razernij brengt? Althans volgens schrijvers als Žižek en een Pascal Bruckner (in Trouw 17.01.2015).
Hoe weten Žižek en Bruckner overigens zo stellig dat “de” islamisten ons onze manier van leven en met deze planeet omgaan zo benijden? Hebben ze dat van die islamisten persoonlijk te horen gekregen of nemen ze dat maar voor gegeven aan?
Stel dat we onszelf aan zo’n meedogenloze analyse zouden onderwerpen als die Žižek voorstaat om op de terroristen los te laten. Wat zouden we kunnen ontdekken? Dat onze democratie is uitgehold en dat we feitelijk zijn uit- en overgeleverd aan naamloze, anonieme financiële conglomeraten die mondiaal de dienst uitmaken en aan de touwtjes trekken, terwijl onze politici niet meer zijn dan ledenpoppen en schmierende toneelspelers? Dat wereldwijd oligarchen (inclusief arabische en chinese) de zaakjes bekokstoven en onderling bedisselen? Dat zo’n “kredietcrisis” evengoed onderdeel is van een mondiaal business plan om ons – het klootjesvolk – stelselmatig uit te melken, te beroven en structureel in angstige onzekerheid te houden.
Zouden we ooit tot zo’n inzicht kunnen geraken? Zouden we het onder ogen durven zien? Zou dat niet al te pijnlijk, zelfs onverdraaglijk, zijn? Zouden onze vrije media dat durven erkennen en mogen beschrijven? Ik vraag het me af. Žižek schrijft – om in zijn vakjargon te spreken – een ‘inzichtgevende therapie’ voor als het om de islamisten gaat, maar zouden wij zo’n behandeling kunnen verdragen. Is onze ego-sterkte daar robuust genoeg voor? Wat wij gewoonlijk krijgen is hooguit een ‘ondersteunende therapie’, dus: een pappen-en-nathouden-behandeling.
complotdenken
Indien we de islamisten aan een meedogenloze analyse onderwerpen, dient dat om een satanisch complot aan het licht te brengen en hen als immorele baarlijke duivels aan de kaak te stellen. Iedereen die de financiële biotoop aan zo’n meedogenloze analyse zou onderwerpen – gesteld dat we die kans überhaupt zouden krijgen – die wordt vermoedelijk binnen de kortste keren  weggezet als gevaarlijke complotdenker en wanneer zo’n analist te dicht bij het deksel van de beerput kwam, zou hij hoogstwaarschijnlijk ‘’geneutraliseerd’’ worden; misschien letterlijk verzopen in de gier die hij kon ontdekken. Je moet tenslotte onderscheid maken tussen sociale onrust en sociale onrust.
Financiële massavernietigings-wapens zaaien een heel ander soort verderf en brengen een totaal ander soort naargeestigheid met zich. Een beschaafde, juridisch formeel gelegaliseerde en politiek gefaciliteerde welteverstaan.
Waarom worden klokkenluiders als Edward Snowden, Bradley Manning, William Binney en Thomas Drake zo keihard meedogenloos onder de grond geschoffeld? Wiens belangen bedreigen zij vooral?
Waarom trekken zo veel jongelui uit ons paradijs naar de slagvelden in Syrië (zie bijvoorbeeld recent Sarah Birke in de NYRoB)? Wat hopen ze er te vinden dat ze in ons luilekkerland blijkbaar niet kunnen krijgen? Meet Žižek niet met twee maten als hij het heeft over de Oekraïners (“Barbarism with a human face”) en de islamisten?

‘’[D]at veel dingen in deze wereld om seksualiteit draaien, of preciezer gezegd om begeerte, daar was ik net zozeer van doordrongen als ieder ander …… seksualiteit werd misschien, zoals zoveel dingen en bijna alles in deze wereld, overschat; misschien was het een list, bedoeld om de wedijver tussen mannen en de omloopsnelheid van het geheel op te voeren. Misschien ging er in seksualiteit wel niets meer schuil dan in een lunch bij Taillevent of een Bentley Continental GT.’’
Michel Houellebecq (2006:159): Mogelijkheid van een eiland

pornografie & psychoanalyse
Slavoj Žižek heeft doorgeleerd voor psychoanalyticus, dus als hij het over analyses heeft, is het niet gek ook aan psychoanalyse te denken. Vreemd dat niemand die slechte pornografische afbeeldingen, die voor satire moeten doorgaan, in verband brengt met nauw verholen seksuele aberraties bij de tekenaars. Waarom vergasten zij ons op zoveel vaak erbarmelijk slecht-getekende pornografische prenten van er als arabieren uitziende harige wezens en komen ze ermee weg ons dat als satire te verkopen? Vanwaar deze cartoonisten-obsessie met kinky sexualiteit, die vaak aan schier ziekelijk racisme lijkt te raken? Zit er niet iets fundamenteel fout bij die jongens? Me dunkt dat het voor een psychoanalyticus als Žižek gefundenes Fressen moeten zijn?

“Steunend op een massale niet-aflatende immigratie versterkte het mohammedanisme zijn positie in de westerse landen bijna in hetzelfde tempo als het elohimisme; het richtte zich in de eerste plaats op de bevolkingsgroepen van Maghrebijnse en zwart-Afrikaanse afkomst, maar kende toch ook een toenemend success bij de ‘rasechte’ Europeanen, dat volledig toe te schrijven viel aan het machismo dat de godsdienst uitdroeg.”
Michel Houellebecq (2006:306): Mogelijkheid van een eiland

anti-semitisme
Via racisme en psychoanalyse kom je vanzelf bij anti-joodse gevoelens (anti-semitisme is niet zo’n goede term, omdat arabieren etnisch gesproken immers ook semieten zijn). Kan het zijn dat deze bizarre cartoons en hun obsessieve makers evengoed geduid kunnen worden met behulp van wat in de psychoanalyse ‘verschuiving’ heet? Verschuiving is een verdedigingsmechanisme waarbij de (agressieve) impuls (anti-joodse sentiment) niet wordt afgeweerd, maar de uiting van de impuls tegenover een ander object wordt geuit. Op anti-semitisme (in de zin van anti-joodse gevoelens) rust zo’n zwaar taboe dat die uiting wel moet worden verschoven naar anti-vreemdeling en anti-moslim. Psychoanalyticus Žižek moet hierover toch interessante gedachten en theorieën in petto hebben?  Rabelais_80prct
receptie van ‘Soumission’
Houellebecq zal met zijn boek ongetwijfeld opnieuw open deuren intrappen, maar wat worden we daar behalve een ongetwijfeld goed geschreven en boeiend boek, wijzer van? Wat je ermee doet, hangt immers
af van je wereldbeeld, intellectuele bagage en interpretatiekaders.
Last but not least: bij de receptie van een roman speelt het sociopolitieke klimaat, de maatschappelijke atmosfeer, een zeer belangrijke rol.
Houellebecq lezen, zo bedacht ik onlangs, voelt soms als ronddolen een lunapark dat door Rabelais zou kunnen zijn geïnspireerd en ontworpen, om vervolgens door Jan Steen en Jeroen Bosch ge-photoshopped te worden, terwijl ze alle vier een flink stuk in de kraag hadden. Citoyenquatre.

“Gezien het heersende sociaaleconomische systeem, en vooral ook gezien onze filosofische uitgangspunten, is het duidelijk dat de mensheid op een catastrofe afstevent, die we elk moment kunnen bereiken en die verschrikkelijk zal zijn; feitelijk is het al zover. Het individualisme leidt noodzakelijkerwijze tot moord en ellende. Het enthousiasme waarmee we dat verlies begroeten is opmerkelijk, echt heel curieus. De geleidelijke ontbinding, in de loop der eeuwen, van de sociale familiale structuren, de toenemende neiging van individuen om zichzelf te zien als geïsoleerde deeltjes die onderworpen zijn aan de botsingswet, als tijdelijk samenklonteringen van kleinere deeltjes …. dat alles maakt elke politieke oplossing uiteraard onmogelijk.”
Michel Houellebecq (2004:151): De koude revolutie


LITERATUUR
etcetera:
Jan Techau (2015): “Het Westen zal zich vooral onderwerpen aan zijn kleinzielige zelf” / Volkskrant 29.01.2015 / http://www.volkskrant.nl/opinie/het-westen-zal-zich-vooral-onderwerpen-aan-zijn-kleinzielige-zelf~a3839605
Michel Houellebecq (1999/1998): Elementaire deeltjes / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 2156 2 (hbk)
Michel Houellebecq (2004/1991): De koude revolutie / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 2257 7 (hbk)
Michel Houellebecq (2006/2005): Mogelijkheid van een eiland / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 6274 9 (hbk)
Slavoj Žižek (2011/2008) : Geweld / Amsterdam: Boom / isbn: 978 90 8506 749 8 (pbk); vertaling uit het engels. In De Groene Amsterdammer staat een stuk dat grotendeels is samengesteld uit teksten in Geweld en passages die ook zijn te vinden in een artikel uit de London Review of Books (googelen op Žižek).
Olivier Roy (2006/2005): De islam en de scheiding van kerk en staat / Amsterdam: Van Gennep / isbn: 90 5515 647 7 (pbk); vertaling van La laïcité face à l’islam / Paris: Hachette / isbn: 2.01.279280.4
Olivier Roy (2004/2002): Globalised Islam. The search for a new ummah / London: Hurst / isbn: 1-85065-598-7 (pbk); ook dit boek is bij Van Gennep in vertaling uitgebracht
Olivier Roy http://www.trouw.nl/tr/nl/4496/Buitenland/article/detail/3680650/2014/06/29/Olivier-Roy-Djihadisten-in-Europa-zijn-eenlingen.dhtml
Sarah Birke (2015): How ISIS Rules / New York Review of Books / February 5 – 18; vol. LXII, nr.2, pp. 26-28
David Bromwich (NYRoB, 2014:4,6 ), bespreekt een documentaire over Snowden (Citizenfour) waarin de laatste mens treffend wordt beschreven met het zinnetje: “ … otherwise judicious persons who want to get on with their business head-down and not be bothered.”
Pascal Bruckner: “Dit is een oorlog tegen onze vrijheid” interview in Trouw, 2015, januari 17
 

INTERESSANT om in dit kader ook te lezen:

Abram N. Shulsky: Gebiert der Liberalismus seine ideologischen Gegner selbst? in Internationale Politik 6, November/Dezember 2014, S. 114-123
“Es ist dem ‘Sieg’ des Liberalismus etwas Bemerkenswert zu eigen: Ihm sind in den zwei Jahrhunderten seiner Geschichte trotz seines relativen Erfolgs beständig Gegner entstanden. … Bei allen Unterschieden einte diese ideologischen Gegenbewegungen ein gemeinsames Gefühl: Dass die besondere Bedeutung, die der Liberalismus dem Eigeninteresse des Einzelnen im Gegensatz zum Gemeinwohl zuweist … ihm etwas Unedles verleiht. Dass er potenziell oder tatsächlich Ungerechtigkeit, auβerdem Choas oder sogar Anarchie Voorschub leistet – auf jeden Fall aber die Gesellschaft schwächt.   ……
[W]enn das Konzept der liberalen Demokratie überhaupt eine Bedeutung hat, dan doch wohl die, dass der Glaube als Privatangelegenheit zu gelten hat, aus der sich der Staat so weit wie möglich heraushalten soll. Die Fähigkeit des Islam dagegen, groβe Mengen von Anhängern zu mobilisieren, scheint auf der genau entgegengesetzten Auffassung zu beruhen.   …….
Auf diesem Hintergrund können wir auch den Islamismus besser verstehen – als eine von vielen ideologischen Bewegungen gegen den Liberalismus. Im Unterschied zu den anderen Gegenbewegugen jedoch nimmt der Islamismus eine göttliche Legitimation für seinen Opposition in Anspruch.  …. “
Shulsky’s artikel zwaluwstaart mooi met een bespreking door Guillaume Boccara van twee boeken van Jean-Loup Amselle, in L ‘Homme no. 211, 2014 141-156: Pour une anthropologie du capitalisme différentialiste.
Ik attendeer op noot 6 (p. 146), die aandacht besteedt aan het werk van de antropologe Andrea Muelebach.
Zowel Shulsky als Boccara/Muelebach behandelen een thema (centri-fugale versus centri-petale tendensen en ‘politiek-financiële manoeuvres/manipulaties’ die daarop gericht lijken) dat voor ‘het project Europa’ van vitaal belang is. Kort door de bocht samenvattend, immers: Europa is enerzijds een neo-liberaal project van ieder-voor-zich en graaien-wat-je-kunt, terwijl ons tegelijkertijd chanterend ingewreven wordt dat we solidair (in een héél aparte betekenis van het woord ongetwijfeld: het draait altijd uit op betalen, maar aan wie we betalen en waarvoor, wordt nooit echt duidelijk) moeten zijn met lidstaten als Griekenland, Spanje en meer “globaliserings- en moderniserings-losers”). De resulterende spanningen worden min of meer gekanaliseerd en frustraties worden afgewenteld, door vijanden te creeëren, desnoods middels provocatie, zoals door en via Charlie Hebdo gebeurde – zo kun je het proces tenminste naar mijn overtuiging ook framen – hetgeen resulteerde in de bekende uitbarsting op 7 januari. Wie spinnen garen bij zo’n verziekte maatschappelijke situatie en wie varen en wel bij zo’n naargeestige leefsfeer?
Bij Muelebach en Boccara komt onder andere een vergelijking tussen Afrika en Latijns-Amerika aan de orde: Afrika > secessies en bloedige strijd, versus Latijns-Amerika, met overheersend de vrees voor balkanisatie en de natiestaat als politiek concept. Heeft dit wellicht te maken met welke koloniale mogendheden de respectieve continenten destijds vooral koloniseerden en de respectieve invloeden / mentaliteiten / overgeërfde staatsinrichtingen, de politieke infrastructuur, die daaruit voortvloeiende nog steeds werkzaam zijn? Belangrijk is vanzelfsprekend ook hier de vraag wie vandaag de dag belang hebben bij onderlinge wedijver en oorlogen tussen naties/staten……
Tariq Ali on ‘Charlie Hebdo’ / ‘It didn’t need to be done’ London Review of Books, Vol. 37 No. 3 · 5 February 2015
Ik citeer uit de LRoB: “In the week following the atrocities, a wave of moral hysteria swept France. ‘Je suis Charlie’ became almost obligatory. The Hollande/Valls message was simple: either you were for the magazine or for the terrorists. Quite a few, now as in 2001, were for neither.   ……….
Slowly, a more critical France is beginning to speak up. An opinion poll two days after the big march revealed a divided country: 57 per cent were ‘Je suis Charlie’s, but 42 per cent were opposed to hurting the feelings of minorities. Some of the latter might have been thinking of the blanket publicity for Michel Houellebecq and his new novel, Soumission, on TV and in print in the week preceding the attack on the magazine. Those with longer memories might have recalled Houellebecq’s statement in 2001, which laid the basis for the title of his latest offering: ‘Reading the Quran is a disgusting experience. Ever since Islam’s birth it has been distinguished by its desire to make the world submit to itself. Submission is its very nature.’
Replace the Quran with the Old Testament and Islam with Judaism and you would be locked up in France today, as some have been, including a 16-year-old schoolboy who parodied Charlie Hebdo. A satirical magazine, it appears, cannot be satirised. …….
David Cameron and other Western leaders insist, as they do after every outrage, that the problem is radicalised Islam and therefore the responsibility lies within the religion. (Why was Catholicism never blamed for the IRA offensives?)
The real problem is not a secret: Western intelligence services regularly tell their leaders that the radicalisation of a tiny sliver of young Muslims (more work for the security services in Britain and France than for al-Qaida or ISIS) is a result of US foreign policy over the last decade and a half. Some of these Muslims have been happy to acquire new skills and priorities while fighting in Bosnia and, more recently, Syria.”
Marijn Kruk: Jihadisten van eigen bodem in Knack nr. 4; 2015: 68-73

De derde man in Hermans' 'Donkere kamer van Damokles'

door Jerry Mager
op de blogsite Work In Progress in de periode januari 2015 – 02 februari 2015

‘’Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’’ – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’
Ludwig Wittgenstein:
Philosophische Untersuchungen.
“If I see two men at once, I cannot by any such direct experience identify both of them with a man I saw before. I can only identify them if I regard them, not as the very same, but as two different manifestations of of the same man.”
C.S. Peirce (1978/1940:93): The principles of phenomenology
“Er zijn twee soorten schrijvers. De eerste soort wil zich, zichzelf, rechtvaardigen als mens. De tweede soort wil zich rechtvaardigen als schrijver. De diepere werkelijkheid van de tweede soort schrijver is een onmiddellijk als mythologisch geconcipieerde werkelijkheid. Hij is geen realist en gelooft niet aan ‘de’ werkelijkheid. Zijn romanpersonages zijn geen zelfportretten of portretten van personen die de schrijver heeft ontmoet. Maar het zijn de incarnaties van de wilde jungledieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen.”
W.F. Hermans in
Het sadistische universum

Bij de debatten en discussies over ‘De donkere kamer van Damocles’ van W.F. Hermans ging en gaat het nog altijd hoofdzakelijk over de vraag of Osewoudts ‘dubbelganger’ Dorbeck al dan niet bestaat of bestaan kan hebben. Hermans voert in zijn roman echter een tweede dubbelganger ten tonele: Egbert Jagtman. Deze Jagtman zou Dorbecks dubbelganger kunnen zijn en dus – in commissie – ook die van Osewoudt. Aan dit personage Jagtman is door de analysten en critici verrassend weinig aandacht besteed, terwijl het toch een belangrijk aspect belichaamt van de mate waarin Hermans in zijn verhaal consistent en geloofwaardig is.
aannemelijk?
De drie personages Osewoudt, Dorbeck en Jagtman moeten door de schrijver op aannemelijke wijze als voor elkaar inwisselbaar gepresenteerd worden. Als Jagtman het evenbeeld is van Dorbeck en Dorbeck dat van Osewoudt, dan is Jagtman dus ook het evenbeeld van Osewoudt. Is het waarschijnlijk dat Jagtman op Dorbeck en dus ook Osewoudt lijkt? Is de manier waarop de geallieerde autoriteiten te werk gaan bij de verificatie van de eventuele overeenkomsten tussen het kadaver en Osewoudt en Dorbeck, waarschijnlijk?
In deze posting enkele ideëen.
In de roman introduceert Hermans het personage Jagtman via Dorbeck, op bladzijde 30. (Mijn paginaverwijzingen zijn naar het gratis exemplaar dat in november 2012 werd verspreid door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de actie Nederland leest, isbn: 978 90 5965 179 1). We bevinden ons dan in de begintijd van de Duitse bezetting, rond eind 1940. Tot op bladzijde 278 – de roman telt 328 bladzijden – horen we daarna niets over Jagtman (en Dorbeck). Op bladzijde 278 zijn we vier jaar verder en in de prille dagen na de bevrijding van Nederland (april – mei 1945) beland en bevindt Osewoudt zich in Nederlandse detentie op verdenking van spionage, sabotage en liquidaties in opdracht van de Duitsers, ten tijde van de bezetting. Tot zijn verdediging voert Osewoudt aan dat hij voor het geallieerde verzet werkte en op instigatie en aanwijzingen van Dorbeck handelde. Alle pogingen om Dorbeck na de bevrijding op te sporen echter, mislukken. Ieder spoor loopt dood.
Op bladzijde 278 informeert de Nederlandse politieman Spuybroek Osewoudt dat er een massagraf is ontdekt: “We hebben bericht gekregen van een Engelse commandant ergens in de buurt van Oldenburg. Ze hebben daar een massagraf opgegraven. Bij de lijken die tevoorschijn gekomen zijn, schijnt er een te wezen dat aan de beschrijving beantwoordt.” Het betreffende kadaver zou Egbert Jagtman kunnen zijn. Spuybroek: “Herinner je je nog, dat je een verhaal verteld hebt waarin de naam Jagtman voorkwam. Jagtman… een naam en een adres die je van Dorbeck had opgekregen. Je moest daar foto’s naartoe sturen. Het was op het Legmeerplein in Amsterdam. Maar toen je daar eens ging kijken, bleek dat er juist de vorige nacht een vliegtuig was neergestort op dat huis en dat de hele familie Jagtman daarbij was omgekomen? Was het zo niet?
– Ja, ongeveer.
– Nou. Weet je wie zich aangemeld heeft? De tandarts van die familie Jagtman. Hij weet precies hoe de gebitten van die mensen eruitzagen. Als nu het gebit van dat lijk in Oldenburg overeenkomt met dat van een lid van die familie Jagtman, dan zijn we heel wat verder. Dan wordt het begrijpelijk waarom niemand van Dorbeck heeft gehoord. Dan ligt de veronderstelling voor de hand dat Dorbeck een schuilnaam geweest is en dat hij in werkelijkheid Jagtman heette.”
Ze gaan naar Oldenburg. De tandarts wordt onderweg opgepikt en tussen Osewoudt en hem ontspint zich het volgende gesprekje.
“Pas toen de auto aan de ingang van de Engelse legerplaats te Oldenburg stopte, kreeg Osewoudt de kans enkele woorden te wisselen met de tandarts die zij onderweg hadden opgepikt.
– Meneer, vroeg Osewoudt, u heeft dus de hele familie Jagtman goed gekend?
– Ja, ze waren allemaal bij mij in behandeling.
– En er was er een bij die op mij leek?
– Ik zou zeggen van wel. Daarom heb ik ook de politie opgebeld toen ik die foto van Dorbeck in de krant zag. Maar u moet wel begrijpen, het is alweer vijf jaar geleden dat ik hem het laatst gezien heb. Ik houd geen fotoalbum bij van mijn patiënten.
– Hoe heette hij precies?
– Egbert.
– Egbert. Heeft u hem na mei 1940 nog gezien?
– Dat is het hem juist. Hij is het laatst bij mij geweest in augustus 1939 – Daarna is hij gemobiliseerd.
– Was hij bij de artillerie?
– Ik zou het niet precies kunnen zeggen.
– Hoe oud was hij?
– Drie en twintig.
– Maar als nu een andere tandarts terwijl hij in dienst was, een heleboel aan zijn gebit veranderd heeft?”
Osewoudt heeft op het moment dat dit voorval in Oldenburg zich afspeelt alweer zijn gewone witte dunne haar. Als de tandarts vindt dat Jagtman op de foto (is die van Dorbeck of Osewoudt?) lijkt, dan moet Egbert Jagtman licht haar hebben gehad. Zelfs op een zwart-wit foto is te zien of iemand wit of zwart haar heeft. Over de haarkleur van Jagtman en Osewoudt wordt echter met geen woord gerept, terwijl de tandarts Osewoudt toch in persoon voor zich heeft. Dan is er de kwestie van de lichaamslengte. Osewoudt is vanwege zijn kleine postuur afgekeurd voor militaire dienst – hij was een halve centimeter te kort – terwijl Egbert Jagtman officier zou zijn geweest. Valt Osewoudts geringe lichaamslengte de tandarts niet op en komt die overeen met die van zijn patiënt Jagtman? Dorbeck zou bijna even kort als Osewoudt moeten zijn, maar net een halve centimeter langer. Dat was Dorbeck althans tijdelijk, want Dorbeck beweert dat hij zich vlak voor de militaire keuring heeft uitgerekt. Na de keuring moet Dorbeck tenminste een halve centimeter zijn teruggezakt, als een pudding, misschien zelfs iets meer dan die halve centimeter indien hij zich vóór de keuring verder dan een halve centimeter had opgerekt. Ook Jagtman moet dus tamelijk klein van stuk zijn geweest. Hoe kort of lang was Jagtman? Hierover rept Hermans met geen woord.

het kadaver
Op bladzijde 284 wordt in Oldenburg het kadaver onderzocht dat eventueel van Dorbeck zou kunnen zijn. “Helemaal achterin lag het lijk dat hij bedoelde. Het had een kruis van rode menie op de lichtblauwe, opgezwollen buik. De ogen waren open, maar de oogballen verdwenen. Op de wangen kleefde een dunne zwarte baard. Ook het hoofdhaar was zwart.
– Is dit Dorbeck? vroeg Selderhorst. Osewoudt aarzelde.
De tandarts hurkte, zette zijn spatel tussen de gesloten kaken van de dode, en wrikte de mond open. In de andere hand hield hij zijn zaklantaren.
– Al gezien! riep hij, zich weer oprichtend, heeft geen tand of kies meer in de mond!”
Ook over het postuur van dit lijk geeft Hermans niet de informatie die je onder de gegeven omstandigheden mag verwachten: hoe lang is de dode man en is zijn zwarte hoofdhaar van nature zwart, dus niet zwart geverfd. Heeft hij ook zwart oksel- en schaamhaar? De lezer krijgt er niets over te lezen. Op de wangen van het kadaver kleefde een “dunne zwarte baard” terwijl van Dorbeck op bladzijde 24 wordt gemeld dat hij blauwe kaken had vanwege een zware baardgroei: “ Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels.” Waarom zouden de autoriteiten Osewoudt en de tandarts naar Oldenburg slepen, terwijl ze al wisten dat het lijk geen gebit en geen ogen had? Op z’n minst hadden ze de lichaamslengte van de dode kunnen doorgeven. Spuybroek zegt dat ze afgaan op een beschrijving, maar aan welke beschrijving beantwoordt het lijk dan? Waarom ligt het kadaver dat onderzocht zal worden nog tussen de andere lijken in de drab en smurrie, terwijl de Engelsen weten dat de delegatie in aantocht is om het lijkt te inspecteren? Het massagraf werd nota bene tien dagen ervoor al gevonden. Hermans verstrekt geen forensische gegevens over het kadaver, behalve de opgezwollen buik (284). Als lezer kun je onmogelijk nagaan of het kadaver geloofwaardig “vers” genoeg is, juist te vers, of net over de waarschijnlijke houdbaarheidsdatum onder die omstandigheden.  Men sleept Osewoudt wel heen en weer naar Engeland (bladzijde 242-255) om hem te ‘verhoren’ maar gaat blijkbaar erg nonchalant met dit belangrijke lijk om. Uiterst vreemd en niet bijster overtuigend.
Hermans’ wisseltruc met shifters

“Der Held interessiert Dostojewski nicht als ein Phänomen der Wirklichkeit, das bestimmte, fest augeprägte sozialtypische und individuell-charakteristische Merkmale aufweist, nicht als eine äuβere Gestalt, die sich aus eindeutigen und objektiven Zügen zusammensetzt, welche in ihrer Gesamtheit die Frage > Wer ist er? < beantworten. Dostojewskij kommt es nicht darauf an, was sein Held in der Welt darstellt, sondern darauf , was die Welt für den Helden, was der Held für sichselber darstellt.”
Mikhail Bakhtin (1985:86): Literatur und Karneval.

Hermans haalt echter een wisseltruc uit met Osewoudt en met de lezer. Dat doet hij middels de shifters Osewoudt, Dorbeck en Jagtman. Een shifter (Otto Jespersen, Roman Jakobson) is een taalteken dat verwijst naar een situationele context, naar de concrete taalgebruikssituatie. Het zijn deiktische uitdrukkingen (bijvoorbeeld: die, gisteren, jij, hier) waarvan de referentie – hetgeen waarnaar ze verwijzen – afhangt van en verandert met de gebruikssituatie. Smulders gebruikt zeer overtuigend ‘cross-world identity’ (google bijvoorbeeld op de filosoof David Lewis), maar ik prefereer shifters. In een ander stuk zal ik uitleggen waarom.
De namen Dorbeck, Osewoudt en Jagtman ( aan het eind strooit Hermans met de naam Elkan, zand in de raderen) verwijzen naar steeds andere personages, afhankelijk van de taalgebruikssituatie. Terwijl we denken een passage te lezen die over Osewoudt lijkt te gaan, blijkt achteraf – daar kun je door oefening tot op zekere hoogte op leren anticiperen – dat het eigenlijk over Dorbeck/Jagtman gaat, en andersom, omgekeerd, achterstevoren en binnenstebuiten.
Immers Osewoudt, Slegtenhorst, Spuybroek en de tandarts van Egbert Jagtman gaan naar Oldenburg om een kadaver te inspecteren dat mogelijkerwijze de dode Jagtman kan zijn. Dat meldt Spuybroek op bladzijde 278-279 aan Osewoudt. Maar ook Spuybroek is niet eenduidig. Hij heeft het over “de beschrijving”, maar zegt niet van wie de beschrijving afkomstig is en wie er beschreven wordt: de politie, Osewoudt, Jagtman of Dorbeck?
Osewoudt beweert dat hij Dorbeck kent, maar (291) nooit heeft beweerd dat Jagtman en Dorbeck dezelfde zijn. Hermans laat Slegtenhorst een wisseltruc uithalen om Osewoudt in zijn verwarring te bevestigen, zodat die straks terecht als verrader voor het gaas kan. De tandarts echter gaat mee om te verifiëren of het kadaver misschien van zijn patiënt Jagtman zou kunnen zijn, niet van Dorbeck, want de tandarts kent Dorbeck helemaal niet.
Slegtenhorst stelt Osewoudt echter de vraag of het lijk Dorbeck is (284). Osewoudt aarzelt, logisch, want hij heeft Jagtman nooit gezien en Dorbeck hoogstwaarschijnlijk ook niet (Smulders: is het noodzakelijk dat Dorbeck bestaat?) .
Voordat Osewoudt iets kan zeggen, laat Hermans de tandarts melden dat het lijk geen tand of kies meer in de mond heeft. Hij kan dus niet vaststellen of het Jagtman is. De tandarts bekijkt alleen het gebit en niet het hele kadaver. Hij zegt niets over de lengte van Jagtman. Of het kadaver van Jagtman kan zijn, kan de tandarts niet vaststellen, of het Dorbeck is, kan Osewoudt evenmin zeggen. (boek Smulders, 249) Slegtenhorst dringt niet verder bij Osewoudt aan en de lezer krijgt dus hom noch kuit.
Smulders’ redenen

“It appears to me that this mystery is considered insoluble, for the very reason which should cause it to be regarded as easy of solution”
E.A.Poe, in: ‘The Murders In The Rue Morgue’

De Neerlandicus Smulders heeft vast niet toevallig een naam die ook met een S begint en bovendien op een s eindigt: een molenaar – “mulder” – tussen essen. Om te smullen! Wilbert Smulders zegt op bladzijde 50 – 51 van zijn boeiende boek dat hij zich niet wil bezighouden met de vraag omtrent het al dan niet bestaan van Dorbeck. Hij concludeert dat de roman van Hermans een onoplosbaar interpretatieprobleem met zich brengt en stelt zich ten doel te achterhalen welke redenen daarvoor verantwoordelijk zijn.
Smulders is geïnteresseerd in de redenen die de lezer nopen zich op een gegeven moment de vraag te stellen of Dorbeck al dan niet bestaat. Het knappe van Smulders is dat hij postuleert dat die redenen (die volgens Smulders de lezer dus zullen dwingen) dezelfde zijn die ervoor zorgen dat op de vraag of Dorbeck wel of niet bestaat, geen antwoord mogelijk is. Smulders’ formulering deed me sterk denken aan een passage bij Poe – zie citaat hierboven.
Het gaat bij Smulders dus om dezelfde redenen die een ander doel niet dienen. Kan dit, zeg ik het zo correct? Bij Smulders gaat het om identieke redenen terwijl het in Hermans’ roman om identieke personages gaat. Slaagt Smulders in zijn queeste? Wie een antwoord op die vraag wil, moet Smulders’ verhandeling zelf lezen. Die is zeer de moeite waard.

“Het centrale idee van het boek [i.e. Damokles; jm] is dat van het misverstand. Het is ook een kwestie van zichzelf verkeerd beoordelen, dat kun je geen misverstand noemen. Het is mogelijk dat de mens innerlijk verandert, dat de man die vandaag leeft niet meer kan onderschrijven wat hij gisteren heeft gedaan. Mensen uit één stuk bestaan in mijn romans niet. Die verandering, dat is juist het vreemde, die is niet discontinu, maar juist continu, maar omdat we geen houvast hebben aan iets dat voortdurend verandert, stellen we ons dus onophoudelijk de vraag, wat is authentiek in wat we doen en wat we denken.”
W.F. Hermans (1959,1962) over ‘De donkere kamer van Damokles’ in ‘Scheppen riep hij, gaat van Au’

Op eigen ervaring afgaande, meen ik dat je je als lezer van Damokles op verschillende momenten tijdens het lezen de vraag stellen kunt of zelfs moet, of Dorbeck/Jagtman bestaan, en dat die vraag bij iedere lezing van het verhaal op een ander moment gesteld zal worden en het antwoord steeds wisselend moet zijn. Je stelt je die vraag als lezer echter bijna nooit bewust en dat veroorzaakt de desoriëntatie waarover Smulders het heeft in hoofdstuk 4 van zijn verhandeling.
Dat de mens ook innerlijk verandert, geldt zowel voor de lezer als voor het personage waarover hij leest. Wie verandering bij wie veroorzaakt, weet ik niet en dat interesseert me ook niet. De redenen die Smulders misschien vandaag verstrekt, waren gisteren vermoedelijk al niet meer valide. Dat doet aan mijn leesplezier – van zowel Hermans als Smulders – evenwel geen sikkepit af.
In plaats van de ‘mise en abyme’ / het Droste-effect (Smulders, 248), opteer ik tijdens lezing daarom toch eerder en vaker voor Derrida’s ‘différance’, dat doet mij me meer thuis voelen bij het lezen, omdat ik het voortdurende uitstellen van betekenis, inherent aan de (non-)identiteit, als een natuurlijk gegeven ervaar. Ik denk in dit kader ondermeer aan die niet-op-elkaar-lijkende-namen Osewou-dt en Dorbe-ck, waarvan Osewoudt beweert dat ze op elkaar lijken. Alleen omdat je niet kunt horen dat Dorbeck met ‘ck’ geschreven wordt en Osewoudt met ‘dt’. Is dit een geval van functionele redundantie?
het negatief van de pudding

 “Geen enkel verhaal, hoe realistisch ook, geeft antwoord op alle vragen die eraan zouden kunnen worden gesteld. De kunst van de realistische auteur is alleen dat hij te krasse tegenspraken vermijdt, dat hij in waarnemingsvermogen niet achterstaat bij de gemiddelde waarnemer. Kortom, hij weet de indruk te wekken dat ‘het klopt’.
Toch geeft hij op eenvoudige vragen geen antwoord. Zijn kunst is het scheppen van een sfeer waarin bepaalde vragen niet passen.”
W.F.Hermans (1974:117): ‘Het sadistische universum’

Indien Jagtman dezelfde persoon zou zijn als Dorbeck, dan nog moeten zowel Jagtman als Dorbeck op Osewoudt lijken. Maar lijkt Osewoudt wel op Dorbeck? Op bladzijde 25 ziet Ria Dorbeck en ze meent: “ Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto lijkt op een positief. Jij lijkt op hem zoals een mislukte pudding lijkt op een… weet ik veel… op een pudding die wel gelukt is.” Lijkt een negatief op een positief? Probeer maar eens van zes postieven en de zes bijbehorende negatieven bij ieder positief het juiste negatief te vinden. Zelfs met behulp van een lichtbak zal dat een hele klus blijken.
Ria vindt Dorbeck en Osewoudt beiden op een pudding lijken, dus zij waardeert Dorbeck heel anders dan Osewoudt, die Dorbeck adoreert en idealiseert. Ria is misschien geen sympathieke vertelinstantie, maar is zij daarom een onbetrouwbare? “De mensen waar romans over handelen, worden door de lezers onderscheiden in sympathieke en antipathieke. Wat is een sympathiek romanpersonage? Het is een personage waarover de schrijver niet meer bekend maakt dan de massa, in zijn op schijnwaarden gebaseerde onderlinge verkeer, in het openbaar over zichzelf wil weten.”
Kun je spreken van betekenisvol onderscheid tussen een gelukte en een mislukte pudding? Voor mij is pudding pudding, de puddingachtige substantie maakt het wezenlijke van pudding uit.
En dan Osewoudts mond (19), die “deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.” Over Dorbecks mond (24) vertelt Hermans niets. We worden alleen over zijn witte tanden geïnformeerd: “Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond.” Over Osewoudts gebit krijgen we niets te lezen. De beschrijvingen van Osewoudts mond (“bek”) en Dorbecks gebit suggereren alleen dat het onwaarschijnlijk is dat de monden van Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken.
De enige die Dorbeck zo op Osewoudt vindt lijken dat ze inwisselbaar zouden zijn, is Osewoudt. Marianne zegt bij het zien van het op het bioscoopscherm geprojecteerde portret (bladzijde 139) “ Filip, wat is dat gek! Die man lijkt op jou!” Waarom vindt Marianne dat “gek”? Lijken op iemand wil nog niet zeggen dat je voor elkaars dubbelganger kunt doorgaan. Wat de mensen in de zaal precies voor een foto krijgen te zien, weten we niet. Is het een profiel foto, en face, half profiel? Osewoudt heeft “een neusje” (bladzijde 19, 289) dat aan het eind opwipt met brede dunne neusvleugels, doorzichtige afstaande oren en een bek in plaats van een mond. Worden al deze kenmerken zichtbaar op de geprojecteerde foto? Zou je bij deze beschrijving direct aan Dorbeck denken?
van fonemen en morfemen
Hermans haalt nog aardig een grapje uit op bladzijde 24. Ik geef de hele passage.
“Hoe is de naam?
– Dorbeck. Met ck. ‘Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
– Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
– Dan lijken onze namen op elkaar.
De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen, die hem aankeken of zij iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
– U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
– Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.
Dorbeck lachte. Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond. Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels. Het vel van zijn wangen leek daardoor des te witter, maar onder zijn jukbeenderen gloeide het roodachtig. Hij had een stem als een klok van brons. – Bedankt, zei hij. …”
Wie kan er nou beweren dat de namen Dorbeck en Osewoudt op elkaar lijken? Ze klinken anders en ze worden heel anders geschreven. Het enige waarin ze “op elkaar lijken” is dat je de “dt” en “ck” aan het eind niet hoort. Hermans vertaalt hier als het ware Wittgensteins uitspraak 4.1212 uit de Tractatus: “Wat getoond worden kan, kan niet worden gezegd.” Je moet de namen geschreven zien, of ze moeten voor je gespeld worden. (Jacques Derrida zal er zijn idee van het primaat van het schrift aan ontleend hebben).
Hermans zegt hier in feite dat Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken door iets wat er niet hoorbaar is. Bedenk dat Osewoudt een hoge piepstem heeft terwijl de schrijver Dorbeck een bronzen stemgeluid toebedeelt. In lemma 3.26 van de Tractatus beweert Wittgenstein bovendien: “De naam kan door geen enkele definitie verder worden ontleed: hij is een oerteken.” Hermans legt op bladzijde 175 van zijn vertaling van de Tractatus uit dat namen bij Wittgenstein niet verwijzen naar personen of dingen maar dat het de kleinste betekenisvolle eenheden (morphemen) in de volzin zijn.
De beide namen Osewoudt en Dorbeck lijken helemaal niet op elkaar, alleen hoor je het verschil tussen de ‘dt’ of ‘d’ of ‘t’ aan het eind van een woord in het Nederlands niet. In ‘hij deed’ en ‘hij doet’ klinken de eind-d en eind-t hetzelfde. Laat je een Nederlander de Engelse zin uitspreken: ‘He had a hat on his flat head’ dan zal in negen van de tien gevallen een native speaker Engels even moeten slikken bij het snel proberen te achterhalen wat de Nederlander precies bedoelt.
In het Engels zijn de eind-t en eind-d namelijk wel discriminerend, net als de ‘a’ en de ‘e’ in bijvoorbeeld ‘hat’ en ‘the Met’ (the Metropolitan). De ‘ck’ daarentegen spreek je ook het Engels eender uit als in het Nederlands, bijvoorbeeld in: ‘cheek’ en ‘check’. Wie hier verder in wil grasduinen googele om te beginnen bijvoorbeeld op ‘fonemen’.
Wie zegt in de hierboven gegeven tekst de woorden: “Dan lijken onze namen op elkaar.”?
Dat kan zowel Osewoudt als Dorbeck zijn. Wie informeert de lezer over de gelijke lengte van Dorbeck en Osewoudt middels: “Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen.” Is diegene een betrouwbare verteller? Dorbeck beweert dat hij zich heeft uitgerekt. Zou Osewoudt dat niet ook hebben gedaan? En dan nog: de ogen kunnen aan halve centimeter hoger of lager in de schedel staan. Wordt het aannemelijker dat de ogen van Dorbeck, het kadaver, en Osewoudt op de gelijke plek in de respectieve schedels zijn gesitueerd door de oogballen van het kadaver kwijt te maken, of is dit ook zo’n typisch Hermans’ plagerijtje? Kortom, de sprekende gelijkenis tussen Osewoudt, Dorbeck – en Jagtmans – die Hermans ons, lezers, zo succcesvol probeert op te dringen, is helemaal niet zo vanzelfsprekend.
P.C. Hooft
Gebruik voor de aardigheid de P.C. Hooft-prijs eens in een dictee aan middelbare scholieren. De helft die niet weet wie P.C. Hooft is en dat er een literaire prijs naar hem is vernoemd, schrijft PC-hoofdprijs en denkt dat het om een prijs in de computerij gaat.
Er bestaan zelfs leerlingen die PC-hooftprijs opschrijven omdat zij én niet weten wie Hooft was nóch hoe je hoofd/kop spelt. Toch horen ze allemaal hetzelfde woord en bestaan zowel Hooft als hoofd.
wat heet ‘lijken op’?
Lijkt Osewoudt op Meursault van Camus?
Hermans kende het werk van Albert Camus op zijn duimpje; zeker de klassiekers ‘De vreemdeling’ en ‘De mythe van Sisyphus’. In ‘De vreemdeling’ van Camus wordt de hoofdpersoon Meursault door de gevangenisaalmoezenier ‘bezocht’. De priester probeert Meursault te bekeren. In feite beweegt hij hemel en aarde om Meursault zich tot beschaafde Fransman te laten bekennen, en beschaafde Europeanen zijn tenminste nominaal en formeel gristen – in dit geval: katholiek. L’Étranger speelt zich af in islamitisch Algerije, dat destijds een franse kolonie was.
Ook Hermans laat Osewoudt door een priester teisteren, maar maakt van de interactie tussen Osewoudt en pater Beer een komische akt voor twee mannen en zet pater Beers neer als een koddige imbiciel, terwijl Camus de priester als een schuimbekkend schlemiel portretteert. Zowel Meursault als Osewoudt moeten wachtend op hun executie de bezoeking door een zwartrok ondergaan.
Kun je zeggen dat ‘De donkere kamer van Damokles’ als twee druppels water lijkt op L’Étranger? Beide verhalen gaan over de absurditeit van het leven en ik weet bijna zeker dat Hermans zich bij het schrijven van De donkere kamer hevig door Camus (en Franz Kafka) heeft laten inspireren. Maar in hoeverre ‘lijken’ de respectieve verhalen en hun protagonisten op elkaar?
Nog een frappante ‘gelijkenis’ ontdekte ik in Hermans’ verhaal ‘Het behouden huis’ en ‘Nachttrein naar Lissabon’ van de Zwitserse filosoof Peter Bieri. De verteller Raimund Gregorius in Bieri’s verhaal valt het op dat in het huis de Portugese arts en denker Amadeu de Prado, in Lissabon, geen stof op de langbewaarde voorwerpen ligt.
De hoofdpersoon in Hermans verhaal valt tijdens zijn zoektocht in het huis eveneens op dat er nergens stof ligt: “Opeens wist ik het: er lag nergens stof. Zolang er in een huis geen stof ligt, leeft het nog …” Gregorius onderzoekt en evalueert zijn leven door zich aan andere levens te spiegelen, zijn leven met dat van andere te vergelijken. Osewoudt kijkt op belangrijk momenten in het verhaal in een spiegel en parasiteert via spiegelbeelden op het leven van Dorbeck. Lijken de verhalen van Hermans en Bieri op elkaar? Zo ja, in hoeverre?
de twee SS’ers aan geallieerde zijde
Een echt Hermansiaans grapje vind ik het laten figureren van twee SS’ers bij de Britten en de Nederlanders. De namen Smears – Slum (over speaking names gesproken!) en Slegtenhorst – Spuybroek beginnen vast niet toevallig alle vier met een ‘S’. De jonge SS’er op bladzijde 279 is ook niet toevallig zeventien jaar – Osewoudt was bijna net zo jong als het verhaal begint (zie bladzijde 18) – en heeft niet zo maar, net als Dorbeck groene ogen: “Het was een jongen van hoogstens zeventien jaar. Hij had een hoog voorhoofd en daaronder, in ondiepe kassen, de groene wolvenogen van de wildste germaanse stammen.”
Deze jongen zou de gelukte (169) Osewoudt kunnen zijn.
nazi-foto'sHieronder de tekst die Hermans de jonge SS’er op bladzijde 279-280 geeft: “- Jij bent die Osewoudt hè? Ik vind het interessant eens met je te praten. Iedereen heeft over je zaak gehoord. Als je het mij vraagt, dat onderzoek naar Dorbeck is een wandeling in een drijfzand! Elke stap naar voren is tegelijkertijd een stap naar beneden. Hoe denk je er zelf over?
– Dat gaat jou niet aan.
– Als je het mij vraagt ben je een grote klootzak, Osewoudt, ik zeg het niet om je te pesten, maar het is de waarheid. Weetje wat het met de meeste Nederlanders is? Ze hebben nooit denken geleerd. Kijk naar mij. Ik ben een jaar geleden in de ss gegaan. Ik ben een grote amorele theoreticus. Een theoreticus, want ik kan geen bloed zien en bovendien ging ik in de SS toen Duitsland de oorlog al verloren had en andere SS’ers een goed heenkomen zochten in de illegaliteit. Ik geloofde helemaal niet in de SS, het duizendjarig rijk en al die flauwekul waar volgens de kranten iedere SS-man in geloofd heeft. Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is. Jij hebt zeker niet veel gelezen, hè? Ik wel. Ik ben een intellectueel. Die waren er ook in de SS maar weinig. Het was een even groot stelletje stommelingen als de rest van de wereld. Er waren erbij die Himmler op handen droegen! Himmler! Een zeekoe met een lorgnet op! Ze dachten dat Hitler een genie was! Hitler! Een epileptische smaushond! Ze geloofden, godverdomme, in een betere toekomst! Als het van mij afhing gingen ze allemaal tegen de muur, nu, hier, onmiddellijk!”
Let op die echte Hermansiaanse zin: “Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is.” De moraal is een werkhypothese van tijdelijke duur.
Het motto dat ik aan het begin van deze posting heb gezet, staat in “De donkere kamer van Damocles” aan het slot van de tekst in Hermans’ vertaling van Wittgensteins tekst: “Ich kann ihn suchen, wenn er nicht da ist, aber ihn nicht hängen, wenn er nicht da ist. Man könnte sagen wollen: »Da muß er doch auch dabei sein, wenn ich ihn suche«. – Dann muß er auch dabei sein, wenn ich ihn nicht finde, und auch, wenn es ihn gar nicht gibt.“ Ook dat is niet toevallig, want na de “Damokles” schreef Hermans “Nooit meer slapen”. De hoofdpersoon van dat verhaal, Alfred Issendorf (let op dat ‘is’ in meervoud!), zoekt vergeefs naar een meteoriet.
Terzijde: Hermans vertelt in het Sadistische universum over ‘Het oor van Dionysius’ (“Even buiten de stad is een steengroeve te zien, een doodlopende grot die de vorm heeft van een s, ongeveer dezelfde vorm dus als het binnenste van een oor. Deze grot wordt nog altijd het Oor van Dionysius genoemd.”), mij valt die s-vorm en het doodlopen van de grot op.

“Bordewijk, die wis en zeker een Nederlands schrijver was, waarmee ik bedoel dat hij in veel opzichten oveenkomst met andere in dit land werkzame auteurs heeft, verschilt van hen soms door de verbijsterend oorspronkelijke manier waarop hij aan ook door hen gebruikte conventies een totaal nieuwe inhoud weet te geven.”
W.F. Hermans (1984:11): ‘Bordewijk’s miskende verhalen’

de queeste
Het gebruik van het werkwoord “zoeken” veronderstelt bijna dwingend dat iemand of iets naar wie of waarnaar gezocht wordt, gevonden kan worden omdat hij er is. Immers zoeken naar iemand of iets die niet bestaat, is een zinloze bezigheid. Juist die zinloosheid is bij Hermans des Pudels Kern.
Zowel Osewoudt als Issendorf (de held uit “Nooit meer slapen”) zijn volop verwikkeld in een queeste naar hun respectieve identiteit. Osewoudt zoekt quasi naar Dorbeck en Issendorf zoekt vergeefs naar een meteoriet. Beiden worden door hun moeder gefnuikt in hun “normale” ontwikkeling omdat Osewoudts moeder zijn vader vermoordt en mevrouw Issendorf haar echtgenoot de dood injaagt met haar hang naar maatschappelijke status. Osewoudt en Issendorf kunnen hierdoor hun Oedipale fase niet doorlopen.
E.A. Poe, Auguste Dupin en Charles Peirce

“The world of fact contains only what is, and not everything that is possible of any description. Hence the world of fact cannot contain a genuine triad. But though it cannot contain a genuine triad, it may be governed by genuine triads.”
C.S. Peirce (477, p. 256): Vol. I van de ‘Collected Papers of C.S. Peirce’

Zowel “De donkere kamer van Damokles” als “Nooit meer slapen” hebben sterke trekken van een detective-verhaal. W.F. Hermans was al vroeg geboeid door het werk van Poe (1809 – 1849). De amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce (1839 – 1914) was eveneens verslingerd aan het werk van Poe en zou zich zwaar hebben laten inspireren door de methode die Poes creatie, de detective Dupin, hanteert.
Peirce ontwikkelt – geïnspireerd door Poe?  – naast “deductie” en “inductie” het concept “abductie” en ontwerpt een “logische triade”: “Abduction is the process of forming an explanatory hypothesis. It is the only logical operation which introduces any new idea; for induction does nothing but determine a value, and deduction merely evolves the necessary consequences of a pure hypothesis. Deduction proves that something must be; Induction shows that something actually is operative; Abduction merely suggests that something may be. ”
(zie de Collected Papers, deel V, paragraaf 171, bladzijde 106 / uitgave uit 1934; Cambridge: Harvard UP).
Peirce bouwde zijn filosofie op trichotomieën en triadische relaties. Osewoudt, Dorbeck en Jagtman zullen vast ook op Peirceaanse wijze met elkaar zijn vervlochten. Het wachten is alleen op de onderzoeker die dit tot onderwerp van haar onderzoek waagt te maken.
Ik vermoed dat onderzoekers en analisten nog vele jaren bezig zullen kunnen zijn om het werk van Hermans onder andere met behulp van het filosofische apparaat van Peirce opnieuw onder de loep te leggen. Hermans las bijna alles, dus waarschijnlijk ook werk van Peirce [ Zie:  ” op diezelfde pagina veranderde Hermans de formulering ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder gebruikt door Peirce, Frege, Post, Lukasiewicz’ in ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder of onafhankelijk van W. gebruikt door Frege, Peirce, Post, Lukasiewicz’ (p. 144 en 145 in de editie, het tweede citaat daar met nog weer latere redactionele aanpassingen)], vooral vanwege hun gedeelde liefde voor Poe.
Aristoteles, Freud, David Cornwell en W.F. Hermans
Damokles gaat over gelijkenissen en Smulders (115-118) haalt aan de hand van conventies overeenkomsten en verschillen aan tussen Hermans’ Damokles (november 1958) en Le Carré’s verfilmde boek (januari 1964) The spy who came in from the cold. Hermans beweert, schrijft Smulders, dat Le Carré (= Cornwell) zijn Spy op Damokles had gebaseerd. Misschien, maar dan waarschijnlijk toch via de ‘Poëtica’ van Aristoteles en het werk van Freud.

“There is one moral quality without which a reasoner cannot escape fallacies, and that is a sturdy honesty of pupose. For the lack of that, we every day see creatures in the guise of men losing fortune health, and happiness too, deluded by their own sophisms.”
C.S. Peirce (1892): ‘Keppler’ (in ‘Writings’, vol. 8: 286-291)

Aristoteles raadt schrijvers aan om vooral bij de vooroordelen, stereotypen en conventies van hun publiek aan te sluiten. Dus voorzien zowel Hermans als Cornwell hun protagonisten van een getormenteerde jeugd met traumatiserende ervaringen, omdat die volgens Freud bijna honderd procent garant staan voor een abnormale ontwikkeling van de persoonlijkheid en wij intussen Freuds theorieën als belangrijke standaard hanteren bij de duiding en interpretatie van onze werkelijkheid. Ongeacht de ‘wetenschappelijk bewijzen’ die volgens de laatste stand van zaken in de psychiatrie zouden gelden. Bovendien kan de moderne psychiatrie natuurlijk niet dezelfde ‘mens’ tot onderzoeksobject hebben als die welke Freud op zijn divan had.
“De werkelijkheidsbeschrijving is aan mode onderhevig. De ontdekking van Freud dat er een onderbewustzijn bestaat dat zich aan de redelijke wil onttrekt, is niet meer weg te denken bij de beoordeling van het menselijk gedrag.”
Lees en bekijk trouwens Le Carré’s A perfect spy (1986) eens. Hermans zou misschien beweren dat Le Carré A perfect spy ook op Damokles baseerde. Aristoteles (384-322) “schreef” zijn Poëtica echter lang voordat Freud (1856-1939)  zijn Verzamelde Werken produceerde en Freud was er weer eerder mee dan Hermans en Corwell met hun romans.
De grootste gelijkenis tussen Magnus Pym (Perfect Spy) en Henri Osewoudt (Damokles) is dat hun moeders al vroeg in de ontwikkeling van hun zoons in een gekkenhuis belanden. Tevens draait zowel het werk van Cornwell als van Hermans om identiteiten, misverstanden, misleiding, verraad, bedrog en identiteitverwisselingen.
Hermans neemt Aristoteles’s raad om je als schrijver te voegen naar naar de stereotypen die je publiek erop nahoudt serieus. Daarom dat Mirjam Zettenbaum medicijnen studeert en psychiater Lichtenau ook joods is. Joodse mensen waren immers allemaal: of arts, of advocaat, of zakenman-handelaar, of muzikant. Ze zaten in de vrije beroepen. Natuurlijk, want dat was de enige niche waarin ze de ruimte kregen. Stel je – in die tijd – eens een Moshe Cohen voor als hoge officier bij de geallieerde contraspionage: ondenkbaar.
Dit aspect van opgelegde, opgedrongen, identiteit speelt eveneens door Damokles. Osewoudt krijgt zijn identiteit door zijn jeugd opgelegd en Mirjam en dokter Lichtenau krijgen hun joodse identiteit opgelegd door de duitsers. Of je je nu nederlander voelde of fransman, of oostenrijker, als de machthebbers je als joods klassificeerden, had je niets in te brengen en was het einde verhaal.

“Het belangrijkste avontuur dat een Nederlander schijnt te kunnen gebeuren is zijn bezoek aan de middelbare school.”
W.F. Hermans, in: ‘Scheppen riep hij gaat van Au’

Wie vaak, intensief en langdurig leest, zal misschien ontdekken dat zowel Le Carré als Hermans tenminste bepaalde saillante elementen en methoden aan de verhalen van E.A. Poe ontlenen. Zo noemt Cornwell zijn protagonist(-en) in de Spy niet toevallig Pym (vader en zoon) en ontleent Hermans aan Poe’s personage Dirk Peters karakteristieke trekken voor Osewoudt. Ik heb het hier natuurlijk over Poe’s “Narrative of A.G. Pym”, de Avonturen van Gordon Pym, die ook in het Nederlands is vertaald
vervreemding
Wat ik tot dusverre ook nog niet ben tegengekomen – maar ik heb natuurlijk lang niet alles over en van Hermans gelezen! – is de benadering van de russische formalisten zoals Viktor Sklovskij en Yuri Tynjanov (denk natuurlijk ook aan Bert Brecht) bij het bespreken van de vervreemdende effecten (ostranenje), aspecten en dimensies in Hermans belangrijkste romans.
Op bladzijde 90 van “Damokles” lees ik Hermans beschrijving van een erotische scene tussenOsewoudt en Marianne. Het doet me denken aan passages in het werk van Vladimir Nabokov en William Golding:

“- Ik verlang naar je, zei hij, greep haar hand en drukte die tegen zijn kruis, zonder precies te weten wat hij deed.
Marianne bleef glimlachen, maar het was nu eerder een treurige glimlach. Toch zei ze:
– Wie weet, misschien kan je verlangen bevredigd worden.
Voor zijn geestesoog rees hij op als een geweldige figuur, demon en heros,of minstens een sprookjesprins.”

Hermans beschrijft hier met humor vervreemdend de geweldige erectie die Osewoudt krijgt, een verrijzenis des vlezes zonder weerga.

De beschuldigingen van vaak pornografisch te werk te gaan, zullen hem siberisch hebben gelaten; hij neemt op de hem eigen wijze ook hier een loopje met de lezer.

“Wittgensteins doel was in feite helemaal niet wiskundig. Het onderwerp van zijn gedachten was, ook in de Tractatus-periode, de betrekking denken-wereld en niet de (al dan niet geidealiseerde) logische structuur van de taal of welk ander symbolenstelsel dan ook, op zichzelf.”
W.F. Hermans, in zijn aantekeningen bij zijn vertaling van de Tractatus, op bladzijde 163
“Een jaar geleden echter had hij in een bocht van diezelfde rivier de mokele mbembe vrijwel ten voeten uit in de modder zien staan. Een roodbruin beest, zo’n tien meter lang. Het lichaam deed denken aan een olifant, de poten aan een krokodil, de kop en nek aan een slang.”
Margriet de Moor (1992:31): Op de rug gezien
“Het was drie voet lang en maar zes duim hoog, met vier heel korte poten, voorzien van lange, vuurrode nagels, die iets koraalachtigs hadden. Het lichaam was bedekt met gekruld, zijdeachtig haar en volkomen wit. De staart was spits, zoals die van een rat en ongeveer anderhalve voet lang. De kop leek op die van een kat, behalve de oren, die naar beneden hingen als hondeoren. De tanden waren even vuurrood als de nagels.”
Edgar Allan Poe (1978:164-165): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym
‘’ Zie nu Behémoth, welken ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi gelijk een rund. … zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in de navel zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. Zijne beenderen zijn als vast koper; zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen.
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken.
Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijne tong met een koord dat gij laat nederzinken?
Job: 40; 10 vv
 

LITERATUUR & BEELD:
W.F. Hermans (2012/1958): De donkere kamer van Damokles / Amsterdam / ISBN: 978 90 5965 179 1 / NUR 301 (gratis paperback) Volledige Werken deel 3 / zie met name ook het Commentaar op bladzijde 717 – 756  http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/ In deel 3 zijn “De donkere kamer” en “Nooit meer slapen” in een band uitgebracht, met heel functioneel Wittgensteins lemma uit de Phil. Untersuchungen in het midden
W.F.Hermans (1974/1964): Het sadistische universum / Amsterdam: De Bezige Bij / isbn: 90 234 0120 4 (pbk)
Betlem (1966): De geboorte van een dubbelganger / artikel in het tijdschrift Merlyn. Jaargang 4 / Amsterdam: Polak & Van Gennep / op internet beschikbaar
Betlem (1967); Van Jean Paul tot Van der Waals. Nogmaals ‘De geboorte van een dubbelganger’ / artikel in het tijdschrift Raster. April 1967: 71-94 / niet op internet gevonden. In dit artikel geeft Betlem ondermeer een beknopt overzicht van de gelijkenissen tussen personages en gebeurtenissen in “De donkere kamer” en betrokkenen bij “De kwestie Van der Waals”.
Zie voor een eerste wijzer  http://www.dbnl.org/tekst/jans037over01_01/jans037over01_01_0010.php
Google in het kader van dubbelganger en W.F. Hermans voor de aardigheid eens op Ludwig Tieck (‘Ryno’ / ‘Nachgelassene Schriften, Auswahl und Nachlese’) en Jean Paul Richter: ‘Blume-, Frucht und Dornenstücke ….. Armenadvokaten F(irmian) St(anilaus) Siebenkäs’ & ‘Titan’.
Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans / tweetalige uitgave: Duits – Nederlands / Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep / ISBN: 90 253 1534 8 (paperback)
De Philosophische Untersuchungen zijn in het Duits en Engels op internet te vinden
A Wittgenstein Dictionary door Hans-Johann Glock (1996): Oxford, UK – Cambridge, Mass.: Blackwell / isbn: 0-631-18112-1 (hbk)
W.H.M. Smulders (1983): De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles /  Utrecht: Hes / ISBN:  90 6194 074 5 / / Boeiend, doorwrocht, vernuftig en onderhoudend geschreven. Zeer aanbevolen.
Wilbert Smulders schreef ook een artikel waarin hij Hermans’ Damokles in verband brengt met werk van René Magritte (La reproduction interdite) en Maurits Escher. Het verscheen in Vooys en de Gids (googelen op http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=herm014)
Smulders legt in zijn artikel geen verband tussen de titel van Magrittes schilderij (Verboden te vermenigvudigen) en het doodgeboren kindje van Henri Osewoudt en Marianne/Mirjam  Sondaar/Zettenbaum. Ik leg een verband tussen Magritte, de zoon van een buitenechtelijke dochter van een engelse edelman (Edward James) die Magritte zou hebben afgebeeld en het “verbod” dat Osewoudt en Marianne Zettenbaum opgelegd krijgen zich te vermenigvuldigen (door de nazi’s hoogstwaarschijnlijk; Osewoudt is immers een crimineel, een misbaksel, en Marianne een jodin, dus volgens de Neurenbergse rassenwetten, waaraan orthodoxe rabbi’s lijken te hebben meegeschreven, is “baby Sondaar” joods, dubbel fout en zeer ongewenst). Ook Edward James was het resultaat van een overtreding van het gebod: verboden je te vermenigvuldigen. En natuurlijk Osewoudts nicht Ria, omdat zij immers al twee jaar was toen haar ouders wettelijk trouwden.
 Het grote W.F. Hermans boek (2010) onder redactie van Dirk Baartse en Bob Polak / Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 97890 388 93129  (dit leuke en verrassende boek heeft een tijd in de ramsj gelegen)
Saskia de Vries (1984): “De onkenbaarheid van ‘De donkere kamer’: het scenario van Willem Frederik Hermans” / opstel over de verfilming van Damokles door Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water – première 21 februari 1963 / artikel in Literatuur, 84/6, jaargang 1: 304-309 . De film is ook op dvd uitgebracht.
H.U. Jesserun d’Oliveira (1977): Scheppen riep hij gaat van Au (interviews) / Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep / isbn: 90 253 8020 4 (pbk) Het “interview” met Hermans staat aan het begin: 13-26
F. Bordewijk (1984/1950): De fruitkar – inleiding door W.F. Hermans / ’s-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 90 236 5608 3 (brochure van 30/31 pagina’s)
Margriet de Moor (1992/1988:31): Op de rug gezien / het debuut van De Moor, waarin naast Hij bestaat ondermeer de verhalen: Op de rug gezien en Robinson Crusoë / Amsterdam: Contact / isbn: 90-254-6916-7 (pbk)
Edgar Allan Poe (1978): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym (vertaald door A. Alberts) / Bussum: Unieboek – De Boer Maritiem / isbn: 90 228 1624 9 (hbk)
recent: On Edgar Allan Poe door Marilynne Robinson in de NYRoB, 2015 februari 05  /  “Marilynne Robinson’s article in this issue draws from her introduction to the new edition of The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket by Edgar Allan Poe, to be published by 
the Folio Society in February 2015. (February 2015)”
Poe, Edgar Allan
The Annotated Tales of Edgar Allan Poe / Stephen Peithman, editor / 1981, New York: Doubleday / isbn: 0 385 14990 5 (hbk)
Collected Works of Edgar Allan Poe in 3 volumes, 1978 / editor: Thomas Ollive Mabbott / Vol. 2 Tales and Sketches (1831-1842) / Cambridge, Mass. – London: Belknap Harvard UP / isbn: 0-674-13936-4 (hbk); Vol. 3 Tales and Sketches (1843-1849) / isbn: 0-674-13936-4 (hbk)
The Cambridge Companion to Edgar Allan Poe, 2002 / editor: Kevin J. Hayes / Cambridge, UK – New York etc.: Cambridge UP / isbn: 0 521 79326 2 (hbk) / hierin i.h.b.: Peter Thoms: Poe’s Dupin and the power of detection ( 133-147); Geoffrey Sanborn: A confused beginning: The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (163-177)
E.A. Poe: The Murders In The Rue Morgue; Is op internet te lezen  http://www.eapoe.org/works/tales/morgued.htm
Edgar Allan Poe’s Influence on Sir Arthur Conan Doyle (schrijver van de Sherlock Holmes-verhalen)
Abduction and Geometrical Analysis. Notes on Charles S. Peirce and Edgar Allan Poe (benaderd op 17.01.2015)
Peirce, Charles Sanders
Sami Paavola: The evolution of Peirce’s conception of abduction / to appear in Semiotica http://www.helsinki.fi/science/commens/papers/instinctorinference.pdf (benaderd op internet op 18.01.2015)
C.S. Peirce (1978/1940): The principles of phenomenology in: The Philosophy of Peirce – Selected Writings – editor Justus Buchler / London: Kegan Paul / isbn: 0-404-14694-5 (hbk)
C.S. Peirce (1931) : Vol. I van de Collected Papers of C.S. Peirce (6 vols.) / eds. Charles Hartstone & Paul Weiss / Cambridge, Mass.: Harvard UP
C.S. Peirce (1868): Some Consequences of Four Incapacities, pp. 211-242 in deel 2 (1867-1871) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1984 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37202-X (hbk)
C.S. Peirce (1883) A theory of Probable Inference – § v, pp. 420-423 in deel 4 (1879-1884) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1986 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37204-6 (hbk)
C.S. Peirce (1885): One, Two, Three: Fundamental Categories of Thought and of Nature; pp 242-247 in deel 5 (1884-1886) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1993 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37205-4 (hbk);
– (1886) One, Two, Three: An Evolutionist Speculation; pp 298 – 308 in deel 5 van Writings of Charles S. Peirce
John le Carré
A Perfect Spy – From Wikipedia, the free encyclopedia – http://en.wikipedia.org/wiki/A_Perfect_Spy
Dvd – A Perfect Spy – http://dvd.netflix.com/Movie/John-Le-Carre-s-A-Perfect-Spy/70045091
John le Carré: Behind the Smiley face, a man of mystery / Robert McCrum in The Observer, Sunday 9 March 2014 / http://www.theguardian.com/theobserver/2014/mar/09/john-le-carre-smiley-face-man-of-mystery-profile
John le Carré Has Not Mellowed With Age / Dwight Garner in The New York Times / Published: April 18, 2013
Graham Greene
De derde man (The Third Man) is een Engelse film uit 1949. Je kunt de novelle van Graham Greene en de film parallel of simultaan lezen en bekijken met Hermans “Donkere kamer”.
Van de Engelse film bestaat een dvd met Orson Welles in de rol van de derde man De protagonist Harry Lime (van het bekende Harry Lime theme) zou met een beetje goede wil voor Dorbeck kunnen figureren.
http://nl.wikipedia.org/wiki/The_Third_Man
Dvd – The Third Man – http://dvd.netflix.com/Movie/The-Third-Man/1039377?trkid=222336
Mikhail Bakhtin (vertaling 1985): Literatur und Karneval. Zur Romantheorie und Lachkultur – hoofdstukken: Der Held im polyphonen Roman en Linguistik und Metalinguistik; bladzijde 86-106 / Frankfurt/M. enz. : Ullstein / isbn: 3 548 35218 9 (pbk)
Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism. Theory in Practice / London – New York: Routledge / isbn: 0-415-04582-7 (pbk)

 aristotle_tkst

“Speaking generally, one has to justify the impossible by reference to the requirements of poetry, or to the better, or to opinion. For the purpose of poetry a convincing impossibility is preferable to an unconvincing possibility.   ….
The improbable one has to justify either by showing it to be in accordance with opinion, or by urging that at times it is not improbable; for there is a probability of things happening also against probability.”
Aristoteles, in de ‘Poetica’ (1461-b: 10-15) | gebruikte tekst uit The Complete Works of Aristotle, The Revised Oxford Translation, volume 2 / Bolingen series; 71-2 / edited by Jonathan Barnes; Princeton NJ: Princeton UP, 1984:pagina 2339  /  isbn: 0-691-09950-2 (hbk)

 
 

Het advies van Balzacs Vautrin en Thomas Piketty

Jerry Mager,
gepost op WorkInProgress – 2014 nov. 06,07

‘Against political tyranny and injustice Revolution is a weapon. But what counsels of hope can Revolution offer to sufferers from economic privation, which does not arise out of the injustices of distribution but is general? ….
The bankruptcy and decay of Europe, if we allow it to proceed, will affect every one in the long-run, but perhaps not in a way that is striking or immediate.’
John Maynard Keynes (1920:277): The economic consequences of the peace
Ik wil het niet pikken
Maar ik weet niet hoe
Dat gevoel maakt me treurig
En mateloos moe
Ik wil het niet pikken
Maar ik krijg het zuur
Ze sturen je toch van de kast naar de muur
Ze sturen je toch van de kast naar de muur
Cornelis Vreeswijk – Ik wil ‘t niet pikken

In zijn Capital in the 21st Century wijdt Thomas Piketty nogal wat woorden aan de boef Vautrin, een personage uit Vader Goriot van Balzac. In hoofdstuk 7 citeert Piketty (239-40; ik verwijs naar de Engelse uitgave) een lange passage uit Balzac, waarin Vautrin de jonge, arme, edelman Eugène de Rastignac ervan probeert te overtuigen dat hij veel beter een rijke erfgename aan de haak kan slaan, dan inzetten op nijver studeren en hard werken om later een inkomen te verwerven.
Zelfs indien Rastignac na lang ploeteren een succesvolle jurist zou worden dan nog zou hij volgens Vautrin nooit kunnen hopen een inkomen te scoren dat zelfs maar in de buurt zou komen van het inkomen dat het kapitaal van Victorine zou opleveren.
Eugène heeft zeker oren naar Vautrins advies, maar hij is niet bereid tot een moord om zijn doel te bereiken. Want om Victorine van de erfenis van haar vaders fortuin te verzekeren, dient eerst haar halfbroer uit de weg geruimd te worden. Vautrin is bereid die klus te klaren, maar Rastignac vindt een moord te ver gaan.
Het boosaardige element in deze plot is de moord, niet het huwen-omwille-van-geld.
Piketty komt uit zijn boek naar voren als een sympathieke persoon, een econoom met gevoel voor humor en understatement, die het hart op de juist plaats heeft en er morele principes op na lijkt te houden. Dat maakt hem – zeker als romanpersonage – tegelijk ook ietwat naïef. Maar schijn kan bedriegen, en dat maakt Capital in the 21st Century toch weer de moeite waard.
Weliswaar beweert Piketty op pagina 241 dat Vautrins filosofie vandaag de dag geen opgeld meer doet, omdat de wereld is veranderd: ‘Today, even though all sorts of inequalities have reemerged, and many beliefs in social and democratic progress have been shaken, most people still believe that the world has changed radically since Vautrin lectured Rastignac’, maar volgens mij gelooft hij daar niets van en debiteert hij louter politiek correcte teksten in dienst van de humor. goriot-poster
Piketty: Want, wie zou vandaag de dag een jonge rechtenstudent aanraden zijn studie te staken en de strategie van een crimineel te volgen om vooruit te komen in de wereld? Er zullen best situaties denkbaar zijn dat iemand er verstandig aan doet om de kans op een grote erfenis niet te versmaden, maar …… in het overgrote deel van de gevallen zal het niet alleen moreel de voorkeur verdienen om te vertrouwen op studie, werk en succes in je werk, maar biedt dat ook de grootste zekerheid (‘ In the vast majority of cases, however, it is not only more moral but also more profitable to rely on study, work, and professional success.’).
Ik kan me niet voorstellen dat Piketty hier zijn lachen heeft kunnen houden en dit echt gelooft. Dat hij zulke dingen schrijft, draagt naar mijn overtuiging enorm bij tot het succes van zijn boek: hij beschrijft hoe rotzakken rijk worden, maar raadt meteen iedereen met klem af net zo te werk te gaan als de rotzakken. Althans, wanneer je niet in de positie verkeert waarin je dat ongestraft kunt flikken en er mee wegkomt.
Lees zo’n zin als deze (241) eens: ‘Indeed, Vautrin’s lesson to some extent ceased to be valid in twentieth century Europe, at least for a time’; tot op zekere hoogte en tenminste voorlopig. Om te smullen. Wat zou er in het Frans staan?
Waarom sappelen als wetenschapper, als je met veel minder moeite hun baas (manager) kunt zijn?
Vautrins advies aan Rastignac is namelijk helemaal van deze tijd, wanneer je het aanpast aan de tijdgeest: word manager en/of ga de polletiek in! Zou Balzac dit verhaal nu hebben geschreven, dan zou Vautrins advies aan Eugène de Rastignac luiden: maak je studie desnoods af, maar zorg er zo vroeg mogelijk in je leven voor dat je je bij alles richt op of manager worden, of de politiek ingaan (rechten is daarvoor een geschikte studie, want in Balzacs tijd bestond vakken als management en bestuurskunde nog niet).
Dat betekent dat je al tijdens je studententijd moet beginnen met netwerken, lid moet worden van de juiste verenigingen en clubs en je inwerken bij bepaalde coterietjes en kongsi’s. Je wordt namelijk vooral rijk door en via je kennissen en niet meteen vanwege je kennis. Want, zo pepert Vautrin het Rastignac in, zonder kruiwagens ben je ook met een dure en degelijke opleiding nog helemaal nergens. Met hard en eerlijk werken alleen kom je er niet. De vette benoemingen en profijtelijke posten worden namelijk onderling verdeeld door de leden van het establishment.
Dat de outlaw Vautrin zo wereldwijs blijkt, is niet verwonderlijk. Vautrin komt uit een andere biotoop, een andere wereld, hij staat als het ware buiten de beschaving. Hij is tevens ‘ervaringsdeskundige’.
Vautrin is vergelijkbaar met Magwitch uit Dickens’ verhaal ‘Great Expectations’. Ook in het verhaal van Dickens spelen erfenissen en opleiding een belangrijke rol. De ‘scholing’ van Pip komt neer op ‘getting an education’ d.w.z. Pip leert zich gedragen zoals dat in gegoede kringen betaamt en hij moet de juiste relaties en contacten opdoen – en t.z.t. een rijke erfgename trouwen.
Manager en beroepspoliticus, dat zijn tegenwoordig immers de meest profijtelijke ‘beroepen’ met uitgelezen kansen voor een handige jongen of slimme meid met een gelikte effectieve ‘performance’ om relatief snel een flink fortuin bij elkaar te scharrelen.
Piketty beweert dat ook, maar verspreid over het hele boek, zeer bedekt en uitermate impliciet. Joan Holloway
Lees bijvoorbeeld in ‘Capital’ de paragrafen over ‘The Illusion of Marginal Productivity ‘ (330-333), direct gevolgd door The Takeoff of the Supermanagers: A Powerful Force for Divergence (333-335; de obscene salarissen zijn bijna alleen vanuit ‘politieke’ posities te verklaren), ‘meritocratisch extremisme’ (416-418; meritocratie lees ik bij Piketty veelal in de betekenis van kleptocratie) en de paragraaf onder het bijna retorische kopje: ‘Do Educational Institutions Foster Social Mobility?‘ (484-487). Nou neen, niet zondermeer, je moet weliswaar voor veel geld formeel een diploma en titel kopen, maar dat is pas het begin en nog niet het halve werk. Zonder kruiwagens ben je met je opleiding en CV vervolgens nog nergens.
Piketty heeft het niet alleen maar over Franse (en Engelse) klassieken. Zo pakt hij in de paragraaf ‘The Society of Petits Rentiers’ (418) diverse Amerikaanse TV-series kwalificerend bij de kladden.
Ook aardig vind ik dat hij het bij de serie Mad Men (156), over een reclamebureau met de naam ‘Sterling Cooper’, alleen heeft over de overname door deftige Engelse aandeelhouders. Geen hint aan de zeepbellenblazerij waarmee het bureau miljoenen bijeen raust. Als je een toepasselijke metafoor voor zeepbellen zoekt, dan zit je bij Mad Men goed.
Ik herlees Capital momenteel met veel plezier en ik ben benieuwd welk lot het boek en de auteur zijn beschoren.
Tip:
vergelijk de dochters van Vader Goriot onder andere met de dochters van Shakespeares King Lear [Zie o.a. Jonathan Dollimore (1984): Radical Tragedy: Religion, Ideology and Power in the Drama of Shakespeare and his Contemporaries – i.h.b. hfst. 12: 189-203 / Chicago / ISBN: 0-226-15538-2] Lees bijvoorbeeld Ayn RandsAtlas Shrugged en bekijk de personages met hun filosofieën door Piketty’s bril.
Lezen:
Thomans Piketty (2014): Capital in the 21st Century / Cambridge, Mass. – London: Beknap Harvard U / ISBN: 978-0-674-43000-6
Robert M. Solow (april 2014): Thomas Piketty Is Right – Everything you need to know about ‘Capital in the Twenty-First Century’
http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Solow
http://www.newrepublic.com/authors/robert-m-solow

John Maynard Keynes (1920): The economic consequences of the peace / London: Macmillan; de tekst is vrij te lezen via Project Gutenberg –http://www.gutenberg.org/cache/epub/15776/pg15776.txt
Lezenswaardig zijn hoofdstuk 1 en hoofdstuk 6 tot het eind van het boek. Denk aan de situatie waarin ‘het Project Europa’ zich momenteel bevindt. Bijna griezelig, uncanny, unheimisch, hoe Keynes het lijkt te voorvoelen. Keynes (4) verwijst naar romans van Thomas Hardy (The Dynasts) en Leo Tolstoi (Oorlog en vrede).
Cornelis VreeswijkIk wil ‘t niet pikken  http://www.songteksten.nl/songteksten/60825/cornelis-vreeswijk/ik-wil–t-niet-pikken.htm  –   http://www.youtube.com/watch?v=hvzi_vidAdQ
mad-m-peggy-heinz
Interessant in dit verband:
Inside Job uit 2010 geregisseerd door Charles H. Ferguson over de financiële crisis die ontstaat aan het einde van van het eerste decennium van de 21e eeuw. De film gaat volgens Ferguson over “de systematische corruptie van de Verenigde Staten door de sector financiële dienstverlening en de gevolgen van die systematische corruptie.”    http://nl.wikipedia.org/wiki/Inside_Job
Jeff Madrick (sept. 2014): Seven Bad Ideas: How Mainstream Economists Have Damaged America and the World / Alfred A. Knopf. / ISBN 10: 0307961184 – ISBN 13: 9780307961181 (hbk)   http://en.wikipedia.org/wiki/Jeff_Madrick
Review door Paul Krugman in de NY Times van 25 september 2014  http://www.nytimes.com/2014/09/28/books/review/seven-bad-ideas-by-jeff-madrick.html?_r=0
Paul Krugman over Madricks boek: ‘Adam Smith used the phrase “invisible hand” only once in “The Wealth of Nations,” and he probably didn’t mean to say what most people now think he said. But never mind: Today the phrase is almost always used to mean the proposition that market economies can be trusted to get everything, or almost everything, right without more than marginal government intervention.
Is this belief well grounded in theory and evidence? No. As Madrick makes clear, many economists have, consciously or unconsciously, engaged in a game of bait and switch. On one side, we have elegant mathematical models showing that under certain conditions an unregulated free-­market economy will produce an efficient “general equilibrium,” in the sense that nobody could be made better off without making anyone worse off.
Yet as Madrick says, these assumed conditions — including the assumption that people “are rational decision makers, and that they have all the price and product information they need” — are manifestly not met in practice. What, then, do the elegant models tell us about the real world? ‘
Jeff Madrick: Innovation: The Government Was Crucial After All / NYRoBooks,  April 24, 2014    http://www.nybooks.com/articles/archives/2014/apr/24/innovation-government-was-crucial-after-all/
Paul Krugman: Why Weren’t Alarm Bells Ringing? NYRoB, october 23, 2014 / review van Martin Wolf: The Shifts and the Shocks: What We’ve Learned—and Have Still to Learn—from the Financial Crisis.

‘[R]eal democracy and social justice require specific institutions of their own, not just those of the market, and not just parliaments and other formal democratic institutions.’
Piketty (2014:424): Capital

 

Piketty: van een ‘gewone’ rentenier-maatschappij naar een maatschappij van manager-renteniers

door Jerry Mager gepost
op WorkInProgress 2014 oktober 31, november 01-03

‘To a large extent, we have gone from a society of rentiers to a society of managers, that is, from a society in which the top centile is dominated by rentiers … to a society in which the top of the income hierarchy, including to upper centile, consists mainly of highly paid individuals who live on income from labor. One might also say, more correctly (if less positively), that we have gone from a society of superrentiers to a less extreme form of rentier society, with a better balance between success through work and success through capital. ‘
Thomas Piketty (2014:278): Capital in the 21st Century

De onlangs afgeronde parlementaire enquête naar zelfverrijking van en door incompetente managers en blunders van (politieke) bestuurders die dat graaien faciliteerden, illustreert andermaal en nadrukkelijk waarom we het verhaal van Thomas Piketty liever serieus moeten nemen.
De voorzitter van de enquêtecommissie, onafhankelijk Kamerlid (ex-PVV) Roland van Vliet: ‘ “De verantwoordelijken kregen van ons de kans in het openbaar het boetekleed aan te trekken. … Het gebeurde veelal niet. Ondervraagden haalden hun schouders op en wezen naar anderen. Ontluisterend”.’
Deze verantwoordelijke individuen voor het debâcle bij de woningbouwcorporaties behoren nagenoeg allen tot de categorie grootverdieners (aspirant-supermanagers) die Piketty bedoelt als hij het met een understatement heeft over de minder extreme vormen van rentenieren die vandaag de dag gangbaar zijn. Immers, de veelverdieners ontvangen hun vorstelijke inkomens officieel en formeel weliswaar uit werk, maar het grote geld dat ze daarvoor wordt toegeschoven, staat in geen verhouding tot de toegevoegde waarde die zij middels hun baan genereren.Piketty (335): “If executive pay were determined by marginal productivity, one would expect its variance to have little to do with external variances. In fact, we observe just the opposite: it is when sales and profits increase for external reasons that executive pay rises most rapidly.” Dit fenomeen heet ‘pay for luck’.
Sterker nog: zoals de enquête naar de managers van woningcorporaties laat zien, veroorzaken onbetrouwbare beunhazen een grote financieel-maatschappelijke ravage, waarvoor ze blijkbaar niet materieel ter verantwoording kunnen worden geroepen.
De enquête is voorbij en een enkele journalist schrijft dat ‘ze onder uit de zak hebben gekregen’, maar die ‘ze’ mogen evengoed doodleuk in hun villa’s blijven wonen en in hun Maserati’s rondrijden, of op het pluche kleven van een riant-betaalde publieke functie. Ze fungeren als rolmodel voor vele aspirant-zwendelaars.Marx over Piketty
zware verantwoordelijkheid
Het meest gebruikte argument dat deze grootverdieners hanteren is dat zij zo’n zware verantwoordelijkheid torsen. Hun ontluisterende optreden bij de enquête bewijst onomstotelijk dat ze die loodzware last van verantwoordelijkheid helemaal niet hebben getorst. Wanneer aantoonbaar blijkt dat ze er een potje van hebben gemaakt, halen ze de schouders op en wijzen ze naar anderen.
Wel, wanneer ze achteraf die verantwoordelijkheden afwijzen of ontkennen moeten ze de kennelijk te veel en ten onrechte aan hen uitbetaalde salarissen maar teruggeven. Zo simpel is dat.
Desniettemin blijven lidmaten van die zelfde groep schreeuwen om meer geld vanwege de zware verantwoordelijkheden die ze zouden torsen. 170.000 euro, inclusief onkostenvergoedingen en pensioenbijdrage vinden ze zij een fooi … ‘ zo bleek gisteren. Willem van Hassel, sprekend namens het nationaal register van commissarissen, zei met zoveel woorden dat het hem niets verbaast dat mensen nu al proberen de regelgeving te omzeilen, bijvoorbeeld door zowel in dienst te zijn van een ziekenhuis als een woningcorporaties. Zo bereikt een bestuurder tenminste een ‘aanvaardbaar niveau’ in zijn salaris. ‘
Let wel, vlak na de ontluisterende resultaten van deze enquête beweert deze manager brutaal dat ‘mensen (!) nu al proberen de regelgeving te omzeilen, bijvoorbeeld door zowel in dienst te zijn van een ziekenhuis als een woningcorporaties.’
Oud CDA-staatssecretaris Yvonne van Rooij is nu voorzitter van de Vereniging van Ziekenhuizen en zij ‘ weet: “De verantwoordelijkheid als bestuurder van een ziekenhuis is vele malen groter dan die van een minister”. ‘
Wat valt hiertegen te doen? Massaal José Saramago’s boek ‘De stad der zienden’ kopen, of Paolo Virno’s ‘A Grammar of the Multitude’ (vrij op internet) en lezen, en niet meer naar de stembus?
In ieder geval staat het representatieve kiessysteem zoals we dat nog steeds hanteren, alweer ter discussie. We krijgen met stemmen op een politiek merk (een partij of lijsttrekker), niet de juiste personen op het pluche en achter de knoppen, en dat is intussen een zwaar understatement. (Zie David van Reybrouck: Tegen verkiezingen – http://www.youtube.com/watch?v=JG1w-SiFN4s)

‘The world to come may well combine the worst of two past worlds: both very large inequality of inherited wealth and very high wages inequalities justified in terms of merit and productivity (claims with very little factual basis, as noted). Meritocratic extremism can thus lead to a race between supermanagers and rentiers, to the detriment of those who are neither.’
Thomas Piketty (2014:417): Capital in the 21st Century

Thomas Piketty (in de Groene Amsterdammer 23.10.2014) gelooft niet dat het huidige neoliberale systeem op instorten staat. Daarvoor zijn de manipulatieve middelen waarover degenen beschikken die belang hebben bij het in stand houden van deze constellatie en gang van zaken, te effectief. Piketty: ‘Ik ben er niet zeker van dat we aan de vooravond staan van een ineenstorting van het systeem, althans niet vanuit een puur economisch gezichtspunt bezien. Veel hangt af van politieke reacties en van het vermogen van de elites om de rest van de bevolking ervan te overtuigen dat de huidige situatie aanvaardbaar is. Als er sprake is van een effectief overtuigingsapparaat is er geen reden waarom het systeem niet zou kunnen blijven bestaan zoals het is. Ik geloof niet dat strikt economische factoren de ondergang ervan kunnen bespoedigen.’
Piketty heeft ongetwijfeld een punt. In een maatschappij waar je als disc jockey en speelgoedwinkelier multimiljardair kunt worden met televisieprogramma’s als Big Brother en The Voice, bestaat weinig reden voor hoop op effectieve kritiek vanuit de massa van het klootjesvolk, laat staan een revolutie. Beluister ‘De bekommerde socialist’ van Cornelis Vreeswijk maar eens.
cornelis-vreeswijkbekommerde-socialist 35prct
verkommerende socialisten
Degenen die het van het oudsher voor dat volk werden geacht op te nemen, de Volksvertegenwoordigers, de politici, zijn evenmin in the picture. Zij hebben zich merendeels met hart en ziel aan de financiële poppenspelers verkocht en overgeleverd. Zij kiezen voor hun comfortabele baan met riante veilige inkomens en gezekerde financiële garanties. Het interview met oud PvdA-Staatssecretaris van Financiën Willem Vermeend in de Trouw-bijlage Letter & Geest van zaterdag 1 november 2014 is illustratief.
Enkele citaten van de PvdA’er Vermeend uit dat Trouw-interview: “Welke verdeling van inkomen en vermogen goed is, is een kwestie van smaak, van ideologie. Voor de VS durf ik de stelling wel aan dat de ongelijkheid zo extreem is geworden dat het de economie schaadt. Dat zeggen ook het IMF en de Oeso. Maar in Nederland gaat dat niet op. Een gelijkmatiger verdeling kan beter zijn, maar niemand weet precies welke grens goed is, daar is geen wetenschappelijk bewijs voor.”
Ik heb zelf de grootste herziening van het belastingstelsel gedaan, samen met Gerrit Zalm [VVD], in 2001.  ….  We moeten wat anders verzinnen, dachten we, en dat was box 3. We zijn de vermogens volgens een fictief rendement, 4 procent, gaan belasten. Nu zijn de mensen boos, omdat ze op hun spaargeld maar 1 of 2 procent rente krijgen. Dat begrijp ik wel. Het systeem belast kleine vermogens van mensen die alleen maar banksparen relatief zwaar.”
Over de WRR-studie ‘Ongelijkheid in Nederland’, zegt Vermeend: “Dat was een slecht rapport. Ik ben echt heel kritisch over die WRR-studie en ik ben niet de enige. Dat was een puur politiek stuk, ze hebben de verkeerde auteurs gekozen.”
Vermeend is ongetwijfeld een kundig fiscalist en een bekwaam bureaucraat, maar mist de ideologische inhoud en het ideëen-goed dat je bij een sociaaldemocraat mag verwachten. Hier wordt het ideologische vacuüm bij de PvdA op een akelige manier zicht- en voelbaar. We zitten intussen opgescheept met dat belastingstelsel van Zalm-Vermeend. Het is met die PvdA intussen van kwaad tot erger gegaan. Dat merken we iedere dag opnieuw.
In de Volkskrant van 03.11.14 meldt Wilco Dekker: “Volgens het kabinet valt de vermogensongelijkheid in Nederland mee. De scheve vermogensverdeling is ‘fors gedaald gedurende de 20ste eeuw en de afgelopen twintig jaar stabiel’, schreven de bewindslieden Asscher (PvdA, Sociale Zaken) en Wiebes (VVD, Financiën) half september aan de Tweede Kamer.
Volgens de Utrechtse hoogleraar Bas van Bavel, die betrokken was bij het WRR-project, is die conclusie gebaseerd op ‘broddelwerk’. In de belangrijkste grafiek in de Kamerbrief, die over de vermogensverdeling vroeger en nu, worden volgens hem heel verschillende gegevens aan elkaar gekoppeld. ‘Dat kan echt niet’, aldus Van Bavel.”  goofy over Asscher
Engelse toestanden
In zijn laatste boek – The Establishment and How They Get Away with It – stelt Owen Jones onomwonden vast dat politici en leden van de Britse Arbeiderspartij (Labour) met de neoliberale wind meewaaien, omdat zulks ze in staat stelt hun eigen zakken te vullen: ‘Jones attempts to understand why the Labour Party became so drastically conformist in its politics, and comes to the conclusion that, although unmoved by neoliberalism as an ideology, it was quite comfortable with it as a means of lining pockets ‘ schrijft Owen Hatherley. Een uitvoerige bespreking van Jones’ boek door Owen Hatherley staat vrij toegankelijk op de site van de London Review of Books.
Nota bene! Owen Jones beschrijft Engelse toestanden. In Nederland zijn zulke toestanden natuurlijk ondenkbaar.

‘[T]he Italian Socialist Party is no different from the English Labour Party. It is revolutionary only in terms of general statements contained in its programme. It runs the permanent risk of becoming an easy prey for adventurers, careerists and ambitious men without politcial capacity or seriousness.
[T]he Socialist Party is exposed – just like the Popular Party, which represents the most backward classes in the Italian population – to all the pressures of the masses. It shifts and alters its colours as the masses shift and alter their colours.’
Antonio Gramsci (1929,1977:337): The Communist Party

Let wel, Gramsci schrijft niet over de Nederlandse PVV, VVD, D66, PvdA en die andere Haagse coterietjes die vandaag de dag politiek de dienst in Nederland lijken uit te maken, maar over Italië en Engeland, begin vorige eeuw.
Ook de politiek filosofe Chatal Mouffe (p.60) constateert dat in veel (Europese) landen ‘centrum-linkse regeringen een belangrijke rol speelden in het proces van deregulering en privatisering dat bijdroeg aan de consolidatie van de neoliberale hegemonie.‘ Dit is volgens haar een van de hoofdoorzaken voor het tenenkrommende geldverslindende gemodder en peperdure, gevaarlijke, geklungel bij de implementering van ‘Het Project Europa’.

‘[I]t is necessary to realize that the current crisis is a civilizational one, not restricted to economic and financial factors but also affecting our very model of development. What is at stake is a new vision which retrieves the positive aspects of social democracy in the field of social rights but goes much further in several crucial areas, integrating economic questions with social, environmental and political ones.’
Chantal Mouffe (2013:61): Agonistics

LEZEN   
Bart Zuidervaart – Trouw 31/10/2014: ‘Hoofdrolspelers haalden hun schouders op. Ontluisterend’
http://www.trouw.nl/tr/nl/4500/Politiek/article/detail/3779758/2014/10/31/Hoofdrolspelers-haalden-hun-schouders-op-Ontluisterend.dhtml
Romana Abels – Trouw 09/10/2014: Bestuurders publieke sector vinden ministerssalaris écht te weinig http://www.trouw.nl/tr/nl/4492/Nederland/article/detail/3764800/2014/10/09/Bestuurders-publieke-sector-vinden-ministerssalaris-echt-te-weinig.dhtml
Xander van Uffelen – Volkskrant 31 oktober 2014: Woningcorporaties: verwacht niet te veel van wettelijke wijzigingen http://www.volkskrant.nl/economie/woningcorporaties-verwacht-niet-te-veel-van-wettelijke-wijzigingen~a3779372/
Thomas Piketty (2014): Capital in the 21st Century / London – Cambridge, Mass.: Belknap Harvard UP / ISBN: 978-0-674-43000-6 (hbk)
Inmiddels is er een Nederlandse vertaling uit en zijn er een aantal ‘draagbare Piketty’s’ op de markt gebracht. Suggestie: een How to Bluff Your Way Through TP is ongetwijfeld een gat in de markt, voor met Sinterklaas-en-Zwarte-Piet
‘Tot de zon ontploft’. David Graeber en Thomas Piketty in gesprek over kapitaal, schuld en toekomst’ in de Groene Amsterdammer nr. 43; 23 oktober 2014: 18-21; gespreksmoderators: Joseph Confavreux en Jade Lindgaard. Nummers van De Groene zijn in pdf online neer te laden voor 3 of 4 euri
Owen Hatherley: Who will stop them? , een review van Owen Jones (2014): The Establishment and How They Get Away with It / Allen Lane / ISBN: 978 1 84614 719 7 London Review of Books, Vol. 36 No 20 · 23 October 2014 –   http://www.lrb.co.uk/v36/n20/owen-hatherley/who-will-stop-them
Chantal Mouffe (2013): Agonistics: Thinking the World Politically / London – New York: Verso / ISBN-13: 978-1-78168-103-9
Over Mouffe, zie o.a. Patrick De Vos (2006):Het politieke denken van Chantal Mouffe   http://www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/3047
Antonio Gramsci (1929,1977): The Communist Party, staat in de Selections from the Political Writings (1910 – 1920) / 1977; London: Lawrence and Wishart / ISBN: 0 85315 386 8 (pbk); vertaling John Mathews, editor Quintin Hoare
Willem Vermeend: ‘Piketty is een doemdenker’ – interview met Esther Bijlo in Letter & Geest van Trouw 1 november 2014:10-13. Een aardig tussendoortje: lees het tweegesprek Piketty – Graber in De Groene naast dit Trouw-interview met Vermeend.
Luister daarbij naar het lied ‘De bekommerde socialist’ van Cornelis Vreeswijk.    http://www.widih.org/watch-video/2/a52dU5awByI/cornelis-vreeswijk-de-bekommerde-socialist.html
‘We kunnen Thomas Piketty maar beter serieus nemen’
http://nelpuntnl.nl/we-kunnen-thomas-piketty-maar-beter-serieus-nemen/
‘VVD & PvdA bewijzen Thomas Piketty’s gelijk: vermogensongelijkheid is een politiek product’
http://nelpuntnl.nl/vvd-pvda-bevorderen-vermogensongelijkheid-via-hypotheekrente-en-erfrecht/
 
 
inkomensongeijkheid
 
 
 

De moeder-zee en zee-moeder in “De vreemdeling” van Albert Camus

door Jerry Mager
gepost op nelpuntnl.nl, 2014 oktober 27-28

“The Oedipal incest occurs, or imagines that it occurs, or is interpreted as if it occurs, as an incest with the mother, who is a territoriality, a reterritorialization. Schizo-incest takes place with the sister, who is not a substitute for the mother, but who is on the other side of the class struggle, the side of maids and whores, the incest of deterritorialization”
Gilles Deleuze & Félix Guattari (1986/1975:67): Kafka: Toward a Minor Literature 

Het tragische voorval waardoor Meursault, de hoofdpersoon uit ‘De Vreemdeling’ van Albert Camus, in de gevangenis belandt en ter dood wordt veroordeeld, speelt zich aan zee en op het strand af. Meursault schiet daar een arabier dood. Tijdens het strafproces dat hij vervolgens ondergaat, verschuift het accent echter snel van de moord op de arabier naar de begrafenis van Meursaults moeder, waar het verhaal mee begint.
Uiteindelijk zal het feit dat Meursault volgens het franse koloniale establishment – het verhaal speelt zich in koloniaal Algerije af – in relatie tot zijn moeders dood en begrafenis niet de gepaste emoties etaleert, Meursault de das omdoen.

“The individual tends to treat the others present on the basis of the impression they give now about the past and the future. It is here that communicative acts are translated into moral ones.  ….
Since the sources of impression used by the observing individual involve a multitude of standards pertaining to politeness and decorum, pertaining both to social intercourse and task performance, we can appreciate afresh how daily life is enmeshed in moral lines of discrimination.”
Erving Goffman (1958:161): The Presentation of Self in Everyday Life

Maman Meursault domineert het verhaal en daar word je als lezer op subliminaal niveau van doordrongen in hoofdstuk 6. Tenminste, als je de tekst in het frans leest. Ik gebruik de franse editie van Gallimard, Folio in een druk uit 2014. Daarnaast de nederlandse vertaling van Adriaan Morriën in de dertigste druk uit 2011. Af en toe pak ik de nieuwste Engelse versie, die van Sandra Smith (2013: The Outsider) erbij.
Iedere vertaling van L’Étranger komt neer op een andere versie, omdat het frans van Camus onmogelijk precies kan worden overgezet in een andere taal.
la mer & la mère
In hoofdstuk 6 gaat Meursault met zijn vriendin Marie Cardona en buurman Raymond Sintès – een ongeletterde souteneur die onlangs een arabische vrouw die voor hem werkt, heeft afgetuigd – op een zondag naar zee. Daar op het strand, schiet hij de arabier dood. Die arabier is een broer van de afgetuigde vrouw.
De arabier is hoogstwaarschijnlijk in overtreding (hors territoire) door zich op dat strand te bevinden. In koloniaal Algerije waren recreatieve stranden verboden gebied voor inlanders en honden. Net als vele zwembaden in Nederlandsch-Indië dat waren. Het pikante is dat zee (la mer) en moeder (la mère) in het frans hetzelfde klinken, het zijn homoniemen en bovendien beide vrouwelijk. Een derde homoniem in dit rijtje is le maire, de burgemeester, maar dit woord is mannelijk, hoewel er curieus genoeg die vrouwelijke ‘e’ aan vast zit.
Bovendien personifieert Camus de zee: ‘la mer immobile’ / ‘la mer éclatante’ (p. 78) / ‘la mer haletait’ (p.89) / ‘La mer a charrié un souffle épais et ardent’ (p. 92).
la mer et nous_2
incest met de zee?
Op bladzijde 81 (franse editie) bedrijven Marie en Meursault de liefde in de zee : ‘Marie m’a dit que je ne l’avais pas embrassée depuis ce matin. C’était vrai et pourtant j’en avais envie. “Viens dans l’eau”, m’a-t-elle dit. Nous avons couru pour nous étaler dans les premières petites vagues. Nous avons fait quelques brasses et elle s’est collée contre moi. J’ai senti ses jambes autour des miennes et je l’ai désirée. ‘  Morriën vertaalt (p. 54) dit met: ‘Marie zei me dat ik haar de hele ochtend nog geen kus had gegeven. Dat was waar en toch had ik er zin in’ en de laatste zin als: ‘Ik voelde haar benen om de mijne heen, zodat mijn begeerte naar haar werd gewekt.’ In het frans staat ‘en ik begeerde haar’, en dat kun je helaas niet vertalen met ‘en ik bekende haar’. Ten eerste staat dat er in het frans bijna niet en ten tweede weet bijna geen nederlandse lezer meer wat het oudtestamentische ‘een vrouw bekennen’ betekent. ‘Embrasser’, betekent weliswaar ook kussen, maar tevens omhelzen.
Marie zegt tegen Meursault dat ze sinds de vroege ochtend nog niet hadden gevreën, en daar gevoelt Meursault wel lust toe ‘avoir envie’. Ze gaan in ieder geval zo ver de zee in dat ze nog kunnen staan, anders had Marie haar benen niet om die van Meursault heen kunnen slaan. Tijdens de omhelzing zouden ze hun armen niet kunnen gebruiken en kopje onder gaan. Je kunt je afvragen  hoe ver ze de zee ingaan: tot het water ze aan het kruis komt, lager, iets boven de knieën, tot aan de navel of nog hoger? Ze zullen het hoofd tijdens de exercitie toch in ieder geval boven water houden, vermoed ik.
Embrasser, want Camus kon onmogelijk het werkwoord baiser (neuken, naaien; le baiser = de kus, zoen) gebruiken, dat zou te vulgair zijn. Hij schept een atmosfeer, een suggestieve sfeer, door het verband, de volgorde en context waarin hij de woorden positioneert. Het centrale punt is dat Marie en Meursault elkaar in de zee (la mer), de moeder (la mère), omhelzen.
Meursault, Marie en mer-maman; een soort ménage à trois au bain-marie, dat je hier desnoods neutraal kunt ‘vertalen’ met: een natte, zilte, driehoeksverhouding.
frapperen
Aan het begin van hoofdstuk 6 kloppen Marie en Meursault op de deur van Raymond, als ze de trap aflopen, op weg naar buiten, de straat op. ‘En descendant, nous avons frappé à la porte de Raymond.’ Frapper = kloppen, slaan, treffen.
De achternam van Raymond is Sintès, net zoals de familienaam van Camus’ moeder (la mère) die Catherine Sintès heette. Aan het slot van het hoofdstuk (p. 93) klopt Meursault op de deur van het ongeluk: ‘Et c’était comme quatre coups brefs que je frappais sur la porte du malheur.’ Meursault lost vijf schoten, maar de laatste vier zouden hem fataal worden, omdat hij tussen het eerste schot en de volgende vier, even wacht. Dat maakt zijn moord op de arabier tot een moedwillige misdaad, die onmogelijk als impulsieve, toevallige, daad gekwalificeerd kan worden.
De slang bijt in haar staart : Meursault klopt op de deur van Sintès en daarmee klopt hij op de deur van het ongeluk, de narigheid (le malheur). Het klopt allemaal precies.
kuise Camus
 Camus is een keer nog preutser als het om seks gaat, en wel in hoofdstuk 2 van deel twee (in de nederlandse vertaling hoofdstuk 8, p. 79) p. 119. Meursault zit in de cel en beklaagt zich tegenover de hoofdcipier dat hij het onrechtvaardig vindt dat de gevangenen geen omgang met vrouwen mogen hebben. De cipier antwoordt dat dat onderdeel van de straf uitmaakt. Meursault antwoordt: ‘Dat is waar. Anders zou het geen straf meer zijn’. De cipier: ‘ “ Juist, u begrijpt hoe de zaken erbij staan. De anderen niet. Maar die helpen zich tenslotte zelf.” Daarna vertrok de cipier. De dag daarop volgde ik het voorbeeld van de anderen.’ In mijn franse druk heeft Camus dit laatste geschrapt. De cipier: “ ’Oui, vous comprenez les choses, vous. Les autres non. Mais ils finissent par se soulager eux-mêmes.“ Le gardien est parti ensuite.‘ Daarop volgt direct het zinnetje over het roken en de cigaretten.
Morriën heeft kennelijk vanuit een franse druk gewerkt, waarin de zin staat waaruit kan worden opgemaakt dat Meursault aan het masturberen slaat, net als de andere gevangen. Naderhand heeft Camus de zin eruitgehaald. Ook in de Engelse versie – versie is beter dan vertaling, omdat je het frans van Camus nooit één op één vertalen kunt – van Sandra Smith ontbreekt de zin die aan Meursaults onanie hint. Smith schrijft wel (p. 69): ‘I was tormented by the desire to have a woman.’ Dit staat er in het frans niet, maar het zou er evengoed hebben kunnen staan. Waarom niet. Dat is het leuke en verrijkende van vertalingen lezen naast het origineel: het complementeert of corrigeert vaak je eigen lezingen.
De hoofdcipier snijdt het onderwerp van vrouwen tegenover Meursault aan. Hij informeert Meursault dat dat het eerste is waarover de andere gevangen zich beklagen: ‘C’est lui qui, d’abord, m’a parlé des femmes. Il m’a dit que c’était la première chose dont se plaignaient les autres. Je lui ai dit que j’étais comme eux et que je trouvais ce traitement injuste.’ (p. 119) Meer schrijft Camus er niet over. Alleen benadrukt Meursault ook hier dat hij net alle andere mannen / mensen is en dat hij de opgelegde onthouding onrechtvaardig vindt. Onrechtvaardig.
‘De vreemdeling’ van Camus wordt steeds vreemder, naarmate hij mij als lezer vertrouwder wordt en dat is vreemd, en toch ook weer niet, want kan het ook niet zijn dat de lezer almaar vreemder wordt en dus steeds meer zichzelf?

* * *

Meer over l’Etranger op:
http://www.jerry-mager.nl/?s=meursault
http://nelpuntnl.nl/moet-meursault-worden-onthoofd/

literatuur:

Albert Camus (uitg. 2014): L’Étranger / Paris: Gallimard – Folio / ISBN: 978-2-07-036002-4 (pbk)
Nederlandse versie door Adriaan Morriën (2011): De vreemdeling / Amsterdam: De Bezige Bij / ISBN: 978 90 234 6257 6 (pbk)
Engelse versie door Sandra Smith (2013): The Outsider / Penguin Modern Classics / ISBN: 978-0-141-19806-4
Gilles Deleuze & Félix Guattari (1986/1975:67): Kafka: Toward a Minor Literature / Minneapolis & London: The University of Minnesota Press  /  ISBN: 978-0-8166-1515-5 (pbk); oorspronkelijk in 1975 verschenen in het frans bij Editions de Minuit, Paris 1975
Erving Goffman (1958): The Presentation of Self in Everyday Life  / Edinburgh: University of Edinburgh Social Sciences Research Centre, Monograph No. 2
kaart-algerije

Dat de euro onhoudbaar is, zal volgens Martin Wolf blijken

Hans Wansink in gesprek met Martin Wolf van de Financial Times in de Volkskrant van zaterdag 18 oktober 2014, 02:00 (verkorte weergave hieronder)

Martin Wolf ‘s werelds invloedrijkste financieel commentator: De financiële crisis heeft nu al meer economische schade opgeleverd dan een wereldoorlog. En het wordt nog veel erger.

brekebeen-euroMartin Wolf staat onder wetenschappers, ministers van financiën en (centrale-) bankiers wel degelijk bekend als de invloedrijkste financiële journalist ter wereld. Als de economisch commentator van de Financial Times schrijft dat de westerse elites hebben gefaald, dan lezen zij mee. In The Shifts and the Shocks, zijn nieuwste boek, krijgen ze het van Wolf voor de kiezen.
De elites hebben de consequenties van de liberalisering van de financiële sector volkomen verkeerd beoordeeld. Ze hadden stevig toezicht moeten instellen, maar fantaseerden over zich vanzelf stabiliserende financiële markten. ‘Het geliberaliseerde financiële stelsel is nog altijd ongelooflijk fragiel’, waarschuwt Wolf. ‘Het moedigt nog steeds aan tot het nemen van grote risico’s en het aangaan van schulden.’ En de banken moeten veel meer worden ingetoomd.

Wansink: Vooral de bankiers zijn bij u de gebeten hond.
‘Op een enkele uitzondering na geef ik niet individuele bankiers de schuld. Ze stonden onder grote druk van aandeelhouders om de winsten op te krikken. Ze namen steeds grotere risico’s, terwijl ze deden alsof er geen risico was. De verhouding tussen eigen vermogen en financiële verplichtingen werd steeds schever. De toezichthouders stonden dat toe. Je moest wel heel erg sterk zijn om niet mee te doen; je zou dan waarschijnlijk ontslagen worden.
Uiteraard deden de bankiers graag mee, want ze verdienden er goed aan. Jamie Dimon van JP Morgan Chase was een van de weinigen die zich niet inliet met de rommelhypotheken. ‘Het probleem zit dus in het systeem: een afzonderlijke bank kan het moeilijk heel anders doen dan andere banken. Als het weer goed gaat, zal de druk om meer winst te maken opnieuw terugkomen. De financiële bedrijfstak blijft – ondanks alle regulering die in feite georganiseerd wantrouwen is – vatbaar voor rampspoed.’
Wansink: Wat doen we eraan?
‘De drijfveren moeten veranderd worden. Een bank moet een betrouwbaar nutsbedrijf zijn – het is tenslotte publieke dienstverlening. Winsten van 15 tot 20 procent in een economie zonder inflatie zijn veel te hoog. Aandelen in banken zouden net zoiets moeten zijn als aandelen in een geprivatiseerde elektriciteitscentrale, met een rendement van zo’n 5 tot 7 procent. ‘Bankiers moeten worden afgeschermd van de aandeelhouders. Die moeten veel minder te zeggen krijgen. Het belang van de klanten moet in de bank vertegenwoordigd zijn. De verhouding tussen uitgeleend kapitaal en eigen vermogen moet drastisch teruggeschroefd worden, van 20 op 1 naar als het even kan 3 op 1.
‘Het wegen van risico’s is als instrument om banken in het gareel te houden zeer onbetrouwbaar en zeer misleidend. Als een bank zegt: dit is niet zo riskant, dan stapt iedereen erin, waardoor het alsnog riskant wordt. Kortom: je moet reguleren op de manier waarop je een kerncentrale aan banden legt.’

eurowrak structureel gemankeerd

Wansink: U lijkt wel van uw geloof afgevallen. Bent u sociaal-democraat geworden?
‘Dat kan ik niet bepaald zeggen. Wat ik voorstel, doet geen enkele sociaal-democratische partij, voor zover ik weet. Sociaal-democratische regeringen hebben de afgelopen dertig jaar hetzelfde beleid gevoerd als iedereen. Ze hebben geen antwoord op de crisis. Of op de vraag wat voor soort markteconomie ze wel willen hebben.’ En dan is er nog de euro. Ook daar ziet Wolf elites die zonder goed na te denken in een riskant project zijn gestapt. Hij noemt de eurozone een polygaam huwelijk, aangegaan door partners die beter hadden moeten weten, zonder mechanisme voor een ordentelijke scheiding. Wolf: ‘Het is van belang onder ogen te zien hoe groot de schade is. De economische kosten van de crisis zijn enorm. Er zijn geweldige verliezen in productie, er is hoge werkloosheid in veel landen. Sinds 2008 is er in de eurozone geen economische groei geweest. Dat is ongelooflijk armoedig. De economische schade van deze crisis is groter dan die van een wereldoorlog. Een geweldige ramp, veel erger dan ik me kon voorstellen.’
falende beleidsmakers
De vergelijking met een wereldoorlog is voor Wolf niet zonder betekenis. Zijn vader was een Joodse toneelschrijver uit Wenen die vlak voor de oorlog naar Londen wist te ontvluchten. Zijn moeder was een Nederlandse Jodin die als een van de weinigen uit haar familie de Holocaust heeft overleefd. Deze achtergrond motiveerde Martin Wolf economie te gaan studeren. Het falen van de beleidsmakers na de beurskrach van 1929 is volgens Wolf een hoofdoorzaak van het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog. Zo ver ziet hij het nu niet meteen komen; hij benadrukt de verschillen met het verleden. Maar over de economische toekomst is hij zeker niet optimistisch.
De financiële elite verspeelde haar krediet door haar wangedrag, maar ook doordat zij door overheden gered moest worden. Die overheden hebben weliswaar aanvankelijk krachtig ingegrepen om instorting van het bankwezen af te wenden, Wolf heeft toch weinig warme woorden voor hen over. Ze konden niet voorkomen dat het Westen nu veel armer is dan iedereen zich tien jaar geleden kon voorstellen. Dat geldt zeker voor de eurozone, waarin de macht is verschoven naar de niet-gekozen bureaucratieën van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds, terwijl de gekozen politici machteloos toekijken.
Voor Mario Draghi, de president van de Europese Centrale Bank, heeft Wolf waardering. ‘Mario is verreweg de beste politicus van de hele eurozone. Hij doet wat hij kan, maar het zal niet genoeg zijn.’
incompetente politici
De rest van de politici noemt Wolf ‘impotent en incompetent’. Ze hebben na 2010 ingezet op bezuinigen, in plaats van op stimuleringsmaatregelen om de economie weer aan de praat te krijgen. Ze hebben heel veel van het incasseringsvermogen van de burgers gevraagd, tot en met de ‘chemotherapie’ waarmee de Grieken te maken kregen (en waarvan het maar de vraag is of de patiënt het zal overleven). Wolf: ‘Ierland is er weer bovenop gekomen door tijdelijk terug te gaan naar negentiende-eeuwse toestanden: dalende lonen en prijzen en een harde sanering van de verzorgingsstaat. In de rest van de eurozone is het te veel gevraagd om de welvaartsstaat tijdelijk buiten werking te stellen’.
Populisme en tribalisme steken overal de kop op, signaleert Wolf: ‘De Engelsen en de Schotten hebben veel gemeen. De Schotten hebben bovendien een stem in het Britse parlement. Toch voelden zij zich niet vertegenwoordigd. In Europa speelt dat probleem in het kwadraat. Landen als België, Italië en Spanje zijn niet eens een samenhangende natiestaat. Laat staan dat ze genoeg gemeenschappelijks hebben voor een monetaire unie.
Democratisering van Europa brengt alleen maar meer tweespalt: het zou betekenen dat het noorden door het zuiden overstemd wordt.’ Omdat Duitsland de toon zet, ziet Wolf niet gebeuren wat hij nodig vindt: de inflatie omhoog naar 3 tot 4 procent, belastingen omlaag, afschrijven van de schulden, invoeren van euro-obligaties.

Dld moet uit Euro

Conclusie: de euro is onhoudbaar en instorting van de monetaire unie is ‘heel waarschijnlijk’.

 * * *

LEZEN:
Martin Wolf: The Shifts and the Shocks / Allen Lane, 488 pagina’s, euro 26,99. De Nederlandse vertaling: De shifts en de shocks verschijnt 17 oktober bij Spectrum, euro 34,99.
Geoffrey R.D. Underhill (Universiteit van Amsterdam): Van sprookjesverklaringen voor de eurocrisis naar reëel inzicht: waaraan schort het werkelijk in de eurozone? / Essay in Res Publica (Leuven, ISSN: 0486-4700) 2014, vol. 56, nr. 2, pp: 231-251
Michael Pettis (2013): The Great Rebalancing. Trade, Conflict, and the Perilous Road Ahead for the World Economy / Princeton and Oxford: Princeton UP / ISBN: 978-0-691-15868-6 (hbk);  H.6 (pp. 119-135): ‘The Case of Europe’ >  “Germany must stimulate domestic consumption and reverse its trade surplus, as difficult as this will be. But Germany refuses to do so, implicitly insisting that most of perpheral Europe’s problems were caused by misguided policies in those countries, and also insisting that all the adjustments be made by Spain and peripheral Europe.
The only solution that can minimize the pain for Spain and the rest of Europe requires that the countries that have suffered most from the unbalanced growth of the past decade band together and force all of Europe, including Germany, to make the necessary adjustments. By threatening to leave the euro together unless Germany adjusts, they will effectively force Germany to adjust anyway. Their abandonment of the euro and devaluation will push up the value of the euro sharply and cause a collapse in the german export machine, but this adjustment will be much more disorderly. ” (pp. 125-27)
David Van Reybrouck (2013): Tegen verkiezingen. De Bezige Bij, Amsterdam, 176 blz. € 14,90 – ‘Loten is democratischer dan stemmen’ / Co Welgraven in Trouw 06/10/2013, 11:00
 

link: nelpuntnl.nl

Vermoordt Meursault zijn vader en wil hij met zijn moeder trouwen?

Jerry Mager
op nelpuntnl.nl, 2014 september 20, 21

‘Alles welbeschouwd is de beste manier om te praten over wat men liefheeft, er luchthartig over praten. Wanneer het over Algerije gaat ben ik altijd bang een gevoelige snaar in mijn innerlijk te raken, waarvan ik het blinde en plechtige lied ken. Maar in ieder geval kan ik zeggen dat Algerije mijn echte vaderland is en dat ik, waar ook ter wereld, haar kinderen en mijn broeders herken aan die vriendschappelijke glimlach die ik in mij voel opkomen als ik hen ontmoet.’
Albert Camus (1998:561): Kleine gids voor steden zonder verleden

Bijna iedereen die deze titel leest, denkt direct aan het verhaal van Oedipous (hij met de doorboorde / gezwollen voeten) en aan Sigmund Freud. Oedipous doodt zijn vader Laios zonder te weten dat het zijn vader is. Vervolgens overwint hij de sfinx waardoor Thebe gered is. Als beloning trouwt hij met zijn moeder, koningin Iocaste. Volgens Sigmund Freud beschouwt het mannelijke kind in de oedipale ontwikkelingsfase, zijn vader als rivaal, concurrent, om moeders gunst.
Meursault is de protagonist, het hoofdpersonage, in het verhaal L’Étranger van Albert Camus. Deze Meursault staat terecht en wordt veroordeeld voor het doodschieten van een ander mens, een Arabier. Het verhaal is gesitueerd in Algerije toen dat een kolonie van Frankrijk was. Het verhaal begint met de informatie, de vaststelling: Vandaag is moeder dood / ‘Aujourd’hui, maman est morte.‘ Dit wordt altijd vertaald met: Vandaag is maman/moeder gestorven/overleden. Er staat echter: ‘est morte’ en bijvoorbeeld niet ‘mourût’ (passé simple). Ik ben tot de slotsom gekomen dat ‘is dood’ voorlopig nog de beste vertaling is. Maar, dat kan veranderen. Moreau Oedip_sfinx
Meursault constateert: Vandaag is moeder dood. Hij meldt dat aan de lezer, maar ook aan zichzelf. Wanneer zijn moeder precies overleed is niet vast te stellen. Meursaults vader is al dood en Meursault realiseert zich dat hij dus wees is. Dat wil zeggen dat zijn maatschappelijke status is veranderd.
identiteit
Je kunt je Meursault aan het begin van het verhaal als een Oedipous voorstellen, maar dan in omgekeerde richting gaande.
Koning Laios laat zijn zoontje Oedipous met doorboorde voeten in het bos aan een boom binden, opdat wilde dieren hem zouden verscheuren. Een herder vindt het jongetje en redt zijn leven waardoor de verschrikkelijke profetie kan worden verwerkelijkt en bewaarheid. Langzamerhand wordt duidelijk wie Oedipous is en wat hij (onwetend) heeft gedaan. Oedipous werd grootgebracht zonder te weten wie zijn echte ouders zijn, maar komt daar allengs achter. Oedipous bevestigt zijn tragische identiteit door de gruwelijke daden die hij begaat, waarbij hij zware maatschappelijke taboes doorbreekt en heilige voorschriften overtreedt.
Meursault wordt weliswaar grootgebracht door een moeder, maar beseft allengs dat hij steeds minder weet wie zijn ouders werkelijk zijn – en dus wie hij is. De dood van zijn moeder (‘Maman est morte’) maakt zijn identiteit definitief onbestemd, zet zijn bestaan op losse schroeven. Zijn tragische lot wordt net zo bepaald door het toeval als dat van Oedipous.
Het woordje ‘hasard’ komt op de relevante momenten veelvuldig voor (Fo, 144), net als ‘malheur’ (een ongeluk), maar de juristerij wil daarvan niets weten, kan daar immers niets mee. Het is haar taak het toeval te vonnissen en per-ongelukjes uit te schakelen. Zij wil motieven horen en probeert achter drijfveren te komen. Bij Meursault is ze daarvoor echter aan het verkeerde adres. ‘Alles en niets is waar’ / ‘Tout est vrai et rien n’est vrai.’ Om motieven voor je daden te hebben, moet je immers weten wie je bent en een omlijnd doel nastreven, in ieder geval kunnen formuleren en motiveren.
Meursault laat zich niet plaatsen, hij laat zich niet onderbrengen in de daar ter plekke en dan geldende categorieën, hij is vreemd, hoort nergens bij. Meursault wordt daarom als een bedreiging beschouwd en ervaren. Zijn proces, berechting en vonnis zijn een ontkenning van zowel de identiteit en individualiteit van Meursault als van die van de arabier. De Franse koloniale overheerser, in de persoon van juristen en clerus, dicteert de werkelijkheid en definieert de waarheid.
Nog een omgekeerde identiteitsontwikkeling in het verhaal is die van de naamloze autochtoon tot Algerijn. Meursaults slachtoffer is een naamloze arabier, een inlander, die geen naam heeft. Aan de inlanders wordt in L’Étranger gerefereerd als arabieren of moren. Zij vormen en bevolken de vijandige en bedreigende buitenwereld. Ook als zij onverschilligheid veinzen, vooral dan. Alleen de Fransen/europeanen hebben namen. Meursault heeft slechts een achternaam, die tevens soortnaam is.
Algerije bevecht haar onfhankelijkheid op Frankrijk. Alle pied noirs – een bonte verzameling landslui – zullen Meursaults blijken te zijn, die zich noch Algerijn noch Fransman kunnen voelen en noemen. Tussen wal en schip geraakt, ontworteld en ontheemd, misschien vergelijkbaar met de sans papiers van tegenwoordig. Julia Kristeva extrapoleert dit verder, door ons allemaal tot Meursaults op deze planeet te bestempelen.
Zou Meursault zijn moeder dood gehad willen hebben? Meursault is van mening: ‘Alle gezonde naturen hadden in meerdere of mindere mate naar de dood verlangd van de mensen van wie ze hielden.’ (AM, 66; Fo, 100 > AM = Adriaan Morriën, vertaler; Fo = Folio, Franse tekst). Of hij van zijn moeder hield? ‘Ja, net als iedereen’/ ’Oui, comme tout le monde.’ / ‘Wat ik wel met zekerheid kon zeggen was dat ik liever had gezien dat moeder niet was gestorven.’ / ‘Ce que je pouvais dire a coup sûr, c’est que j’aurais préféré que maman ne mourût pas.’ (AM, 66; Fo, 100) Het is Meursault allemaal om het even. Zou Meursault zijn vader hebben willen doden? Dat weten we niet, maar ik acht dat niet onmogelijk. Alleen niet op de ‘normale’ manier vermoorden, maar toevallig, per ongeluk, niet wetende dat het zijn vader was en zonder dat er een bedoeling, een intentie, een motief, aan zijn daad ten grondslag zou liggen. Precies zoals hij de arabier doodschoot..Orientalism_50prct
oriëntalisme
L’Étranger bestaat uit twee delen: vóór en ná de moord. Na de moord wordt Meursault gevangen gezet en door de mangel gehaald van het Franse penitentiaire systeem en de katholieke kerk. De aanleiding voor zijn proces en uiteindelijke veroordeling tot de guillotine, sneeuwt snel onder en komt eigenlijk niet meer ter sprake. Alle aandacht richt zich op de gevoelloosheid die Meursault bij de dood van zijn moeder tentoon spreidt. Dat is ongepast en buitenissig, bijna exotisch en oriëntaals onaangedaan.
Lees maar hoe de manier van kijken van de Arabieren projecterend wordt beschreven (AM, 51; Fo, 77): ‘Ils nous regardaient en silence, mais à leur manière, ni plus ni moins que si nous étions de pierres ou des arbres morts.‘ / Ze bekeken ons zwijgend, zoals zij dat doen, alsof we niet anders waren dan stenen of dode bomen. [mijn vertaling; jm]
Het verband met Oedipous drong zich aan mij op toen ik het verhaal voor de zoveelste maal herlas, terwijl ik kort daarvoor een tekst van Michel Foucault had gelezen. Op de relatie met Foucault ga ik hier niet verder in, dat komt ongetwijfeld in een volgende blog, maar ik heb het dus niet zelf bedacht of verzonnen. Foucault trouwens ook niet.
misselijke vader
In afwachting van zijn onthoofding denkt Meursault aan zijn vader (AM, 114; Fo, 165-166) door een verhaal dat zijn moeder hem over zijn vader heeft verteld: ‘Ik had hem niet gekend. Het enige dat ik met zekerheid over deze man wist, was misschien wat moeder me toen over hem had verteld, namelijk dat hij een keer naar de terechtstelling van een moordenaar was gaan kijken. Hij was al ziek geworden bij de gedachte dat hij erheen zou gaan. Toch was hij gegaan en na zijn terugkeer had hij de halve ochtend moeten braken. Dat verhaal had me toen een zekere afschuw voor mijn vader bezorgd. Maar nu begreep ik. Het was zo natuurlijk.
Hoe was het mogelijk dat ik niet had ingezien dat er niets belangrijker was dan een terechtstelling en dat die in zekere zin voor een mens zelfs het enige werkelijk belangwekkende betekende. Als ik ooit uit de gevangenis zou komen, dan zou ik naar alle terechtstellingen gaan kijken.’
Meursault wil zijn vader overtreffen en maakt hem daarbij tegelijk tot karikatuur. Meursault wil dat wat niet kan en dwingt zichzelf daarmee in de onzijdige positie, de onaangedane toeschouwer voor wie niets en alles even belangrijk en dus onbelangrijk is.
bedouinemeisjes-1
humor
Afhankelijk van de stemming waarin verkeer, lees ik die bovenstaande passage over de vader als humor, als het-de-lezer-op-de-hak-nemen, als tongue-in-cheek-bewijs van Meursaults morbide verdorvenheid, als index voor het feit dat Meursault helemaal niet onverschillig is jegens de gebeurtenissen des levens, als sneer naar de doodstraf en dan in het bijzonder middels de Franse valbijl, het justitiële systeem, de kerk, de maatschappij en verder nog wat andere zaken misschien?
Waarom eigenlijk voelt Meursault afschuw jegens zijn vader? Is het omdat de man naar een onthoofding is gaan kijken, omdat hij niet tegen het schouwspel kon, beide, om iets anders? Meursault stelt zich voor hoe het moet zijn om de rol van toeschouwer bij een publieke executie te vervullen en daarna te kunnen braken. Na dat beeld krijgt hij het verschrikkelijk koud en krimpt onder zijn deken ineen: ‘Mijn tanden klapperden zonder dat ik het kon tegenhouden.’
Freud revisited
Meursault heeft zijn vader nooit gekend en hij heeft dus de oedipale fase met de bijbehorende conflicten die samenhangen met de strijd om moeders gunst, niet doorlopen. Hij hoort nota bene van zijn moeder dat zijn vader is gaan kijken naar een publieke onthoofding. Meursault senior was als het ware getuige van de toekomstige terechtstelling van zijn zoon. Meursault junior wordt immers tot de guillotine veroordeeld. Meursault junior delft dus na de dood van zijn moeder en vader alsnog het onderspit in de strijd tegen zijn vader, die hij nooit als sparring partner in een normale ontwikkeling is tegengekomen.
Mevrouw Meursault is weduwe, une veuve (ook de guillotine werd la veuve genoemd). In het verhaal uit de krant die Meursault in zijn cel vindt (zie hierna), vermoordt een moeder haar zoon. Ik meen dat Vladimir Nabokov ergens (Invitation to a Beheading ?) de geslachtsdaad tussen man en vrouw metaforisch verbeeldt als een onthoofding – maar dit zou ik moeten nazoeken. Van hieruit kun je relaties leggen met castratie-angst, incest (Oedipous – Iocaste), homosexualiteit (Laios en Chrysippus, de zoon van Pelops) en een oeverloze zee van andere (psychoanalytische) interpretaties. Bijzonder boeiend om er op deze manier over na te denken en spannend om mee te stoeien.sigm-freud 3 meesters
spelbreker
Meursault is allesbehalve gevoelloos. Hij is onverschillig, en wel jegens de foute dingen, in die specifieke context. Meursault vertikt het – zijns ondanks – om de Franse instituties houvast aan hem te verschaffen. De Franse juristerij en de clerus willen hem determineren, identificeren, maar Meursault is spelbreker en dus moet hij vernietigd worden, ausradiert.
De volgende passage over identiteit is humor (AM, 89; Fo, 132): ‘Nog eens moest ik mijn naam, beroep en woonplaats opgeven en ondanks mijn geprikkeldheid vond ik eigenlijk dat het nogal vanzelf sprak, want het zou al te erg zijn wanneer de verkeerde veroordeeld werd.’ De impliciete vraag in dit verhaal is voor mij als lezer, of inderdaad de juiste persoon wordt veroordeeld, want waar gaat het proces eigenlijk over?
juristerij
Die vraag stelt de advocaat van Meursault ook (AM, 99; Fo, 145): ‘Ik vraag u, wordt hij beschuldigd zijn moeder te hebben begraven of een man te hebben gedood?’ Na het proces van Meursault zal een vadermoordenaar worden berecht en de openbare aanklager verbindt die twee strafzaken op een manier die Oedipous op z’n kop zet. [vignet > moeder vermoordt zoon] De aanklager (AM, 99; Fo, 146): ‘ik beschuldig deze man een moeder te hebben begraven met het hart van een misdadiger.’ / ‘ …. d’avoir enterré une mère avec un coeur de criminel.’ Nota bene: ‘une mère, niet: ‘sa mère’ en bovendien weet ik niet op wie dat misdadige hart betrekking heeft: op de moeder of op Meursault? Op bladzijde 105 AM (Fo, 154) legt de aanklager expliciet het verband tussen de vadermoordenaar en Meursault: ‘ “Ik ben ervan overtuigd mijne heren … dat gij mijn gedachten niet al te vermetel zult vinden wanneer ik zeg dat de man die hier op deze bank zit ook schuldig is aan de moord die dit hof morgen zal hebben te berechten. Hij dient overeenkomstig te worden gestraft”.‘
dubbele moord
Volgens de aanklager is Meursault dus ook een vadermoordenaar. Hij moet worden berecht voor maar liefst twee moorden: die op zijn moeder en op zijn vader. Terwijl hij een arabier heeft doodgeschoten. Blijkbaar heeft Meursault zwaar gezondigd tegen de taboes, regels, codes en geboden die in dat koloniale wereldje angstvallig in acht genomen worden. De Fransen in hun koloniën zijn blijkbaar beducht om hun identiteit en superioriteit en Meursault laat zich niet paaien hun kant te kiezen.
Meursault heeft de Arabier naar zijn zeggen zonder opzet en per ongeluk gedood, net als Oedipous zijn vader per ongeluk doodde. Misschien is dat ‘per ongeluk’ en ‘bij toeval’ een extra verzwarende omstandigheid, want moedwillig een Arabier vermoorden, zou wellicht (off the record natuurlijk) teminste nog als de daad van een ware Fransman hebben kunnen worden aangemerkt. Het zou in die koloniale context in ieder geval begrijpelijk gevonden kunnen worden. Zelfs een criminele Fransman is tenminste een Fransman en een crimineel. Maar Meursault wil niets en alles tegelijk zijn en daar hebben de autoriteiten geen geduld en geen genade mee.
Oedipous ondersteboven vanwege het vignet (AM, 81; Fo, 122-23) over de zoon die door zijn moeder en zuster vermoord wordt vanwege zijn geld. Meursault leest het verhaal in een stukje krant dat hij in zijn cel onder zijn matras vindt. De beide vrouwen uit het krantenbericht herkennen hun zoon en broer niet, die zich – om hen te verrassen – niet aan hen bekend maakt. Als ze achteraf de waarheid te horen krijgen, hangt de moeder zich op en de zuster verdrinkt zich. camus 2 redenen-30 prct
huwelijk = zelfmoord
Meursault: ‘ “dat verhaal moet ik wel duizenden malen hebben overgelezen. Aan de ene kant leek het onwaarschijnlijk, maar aan de andere kant was het volkomen natuurlijk. In elk geval vond ik dat de reiziger zijn lot een beetje had verdiend en dat men er nooit een spelletje van moet maken.” ‘
Meursault heeft iedere steen in zijn cel uit het hoofd geleerd, maar hij leest dit verhaaltje duizenden malen? Wil hij de plaats van de vermoorde zoon innemen, of voelt hij zich door zijn moeder vermoord? Een omkering: zijn moeder heeft hem geestelijk vermoord. Wat is er natuurlijk aan het vermoorden van een onbekende in zijn slaap met het doel hem te beroven? Meursault vindt dat je met identiteit geen spelletjes moet spelen. In ieder geval is het hier een moeder die (per ongeluk) haar zoon doodt, zonder zijn ware identiteit te kennen, of omdát zij niet wist wie hij was. Iemand in zijn slaap vermoorden om zijn geld is niet netjes, maar blijkbaar minder erg als het geen familie is.
Trek je deze redenering door dan vindt Meursault zijn eigen veroordeling ook niet zo vreemd, want hij kan immers niet duidelijk maken wie hij is, men gelooft hem niet als hij zegt dat hij net als ieder ander mens is. (AM, 67; Fo, 101) Niemand wil tot een Meursault worden bestempeld. Meursault is een melaatse – net als de arabische verpleegster, die bij zijn dode moeder waakt  / ‘ … j’ai vu qu’elle portait sous les yeux un bandeau qui faisait le tour de sa tête. À la hauteur du nez, le bandeau était plat.’ (Fo, 14-15); zij heeft onder het verband blijkbaar geen neus meer. Daarom verwerpt Meursault ook zelf zijn gratieverzoek. Hij ziet er de logica van in dat hij onherroepelijk moet verdwijnen. Hij past niet in het pulletje. Had hij die man niet doorgeschoten dan was Meursault vermoedelijk blijven doorsudderen in de dodelijke sleur en routine zoals die in het eerste deel van het verhaal beschreven worden.Totdat hij onder tram zou zijn gekomen, of met Marie trouwt. mariage_algerien_1
Over het huwelijk schijnt Camus ooit een grapje in deze trant te hebben gemaakt. Op de vraag wat volgens hem de zekerste manier van zelfmoord was, zou hij hebben geantwoord: een vaste baan + een pistool, of het huwelijk. Meursault bekent Marie dat hij niet van haar houdt, maar geen bezwaar heeft tegen een huwelijk met haar. Het formele huwelijk betekent een administratieve status, en daar is Meursault allergisch voor. Als het huwelijk hem echter overkomt, kan hij daar niets tegen doen.
breisters
Het is haast jammer om bepaalde informatie te gebruiken om het verhaal sluitend te interpreteren, zoals het felle licht in het vertrek waar zijn moeder ligt opgebaard en dat Meursault niet kan uitdoen of dimmen; het is aan of uit, digitaal dus. Dat licht doet me denken aan de tropenzon die Meursault fataal zal worden. Meursault banjert uren in de tropische middagzon en heeft natuurlijk een zonnesteek opgelopen. In die toestand schiet hij iemand dood. Van een zonnesteek moet je meestal braken. Meursault relateert het braken van zijn vader aan zijn zonnesteek.
De breiende Arabische verpleegster, die vermoedelijk melaats is, fungeert als voorafje voor het guillotineren. Aan de voet van de guillotine in Parijs zouden namelijk altijd breisters, tricoteuses, zitten.Er blijft gelukkig nog genoeg over om je als lezer door te laten verrassen.
tricoteuses de la veuveactuele absurditeit
L’Étranger wordt als absurde vertelling beschouwd. Hoe vaker en nauwkeuriger je het verhaal echter leest, hoe minder absurd het allemaal wordt. Ik merk tijdens het lezen dat ik vaak tussen ‘karikatuur’ en ‘absurditeit’ zit. Ik geloof dat het voor een belangrijk deel aan de (culturele?) context ligt of je iets als absurd of karikaturaal ervaart.
In de tijd waarin Camus en Meursault leefden, was kolonialisme een gangbaar en gebruikelijk paradigma. Meursaults opstelling en houding zou je vanuit dat oogpunt als absurd kunnen typeren. Nadat kolonialisme úit was en de meeste koloniën zelfstandig waren geworden, kon je het optreden van het koloniale machtsestablishment – in L’Étranger wordt dat verpersoonlijkt door de magistratuur en de clerus – als absurd bestempelen. Camus steekt trouwens ruimhartig de draak met beide instituties, getuige de manier waarop hij juristerij en clerus neerzet. Hij lijkt te karikaturaliseren, maar het absurde ligt ‘m dan weer in het gegeven dat hij gelijk kan hebben en vaak ook gelijk heeft. Absurd dat er zulke juristen/rechters en geestelijken rondlopen.
Hoe kijken wij over 50 jaar terug op bijvoorbeeld het ‘project Europa’, de invoering van de euro, het vrijemarkt-fundamentalisme, de NAVO, de IS en de kwestie Rusland-Oekraïne? Voor mij is de agressieve, onbekookte, snelle uitbreiding van de EU absurd. Ik beschouw het als een vorm, een modaliteit, van achterhaald, financieel gedreven winstgericht neokolonialisme-met-oogkleppen.
Voor de EU-craten echter is de ‘het project Europa’ een dikke goedbelegde boterham, gesneden koek. Personen die niet zo hard van stapel wensen te lopen, zijn in hun ogen waarschijnlijk abjecte absurdisten, Meursaults die verdienen geneutraliseerd te worden. De massa van ons bestaat in toenemende mate uit vreemdelingen en heeft geen invloed op de gang van zaken. Die wordt in Brussel, Washington en waar al niet verder, bedisseld. De meesten van ons zijn Meursaults, niettegenstaande de geavanceerde communicatiemiddelen en –mogelijkheden die ons ten dienste staan.
Krantenberichten kunnen we maar beter met kilo’s zout nemen en dubbelchecken waar mogelijk. We stemmen, omdat het bij ‘de Democratie’ schijnt te horen. De anonieme arabier uit L’Étranger snijdt nu voor de camera mensen de keel door en heeft een eigen staat, de IS, gesticht. Ons antwoord: bombarderen. Die ander, die beangstigende vreemdeling, maakt echter deel van onszelf uit, étrangers à nous-mêmes.
Met Rusland is het bijna hetzelfde verhaal: zij zijn de vijand, wij zijn de good guys, die het beste met de wereld voorhebben. Gaan wij het winnen? Tot de volgende 9/11 en met nog hoeveel MH17s ertussen? Absurd.
Een troost: L’Étranger behoort in ieder geval tot het genre voordelige boeken. Het is een koopje. Je leest iedere keer een ander verhaal. Daarom kun je L’Étranger best in meerdere uitgaven en vertalingen aanschaffen, hetgeen een extra dimensie toevoegt aan het leesplezier, want ieder vertaling resulteert opnieuw in een ander verhaal.

* * *

Meer over L’Etranger:
http://www.jerry-mager.nl/leuke-dingen-voor-de-mens/de-moeder-zee-en-zee-moeder-in-de-vreemdeling-van-albert-camus/
Gebruikte uitgaven:
Franse tekst L’Étranger, Gallimard: Folio (2014/1942), ISBN: 978-07-036006-4 (paperbackje)
Vertaling Adriaan Morriën (2011/1949): De vreemdeling, bij de Bezige Bij (Amsterdam), ISBN: 978 90 234 6257 6 (paperback)
Referenties
Camus: ‘De zomer’ in de Bezige Bij bundel uit 1998 / Amsterdam / ISBN: 90 234 3756 x CIP; Franse tekst uitgave Gallimard (1959/1967/1936,1937,1938/; nr. 30-33-2154-01): Noces / L’Été / het citaat aan het begin staat op bladzijde 134: ’ ….. Mais je puis bien dire au moins qu’elle est ma vraie patrie et qu’en n’importe quel lieu du monde, je reconnais ses fils et mes frères à ce rire d’amitié qui me prend devant eux.’
Het vignet over de moeder die haar zoon vermoordt, uit de krant in L’Étranger, gebruikt Camus voor zijn toneelstuk Le Malentendu (1942, Théâtre Mathurins, met Maria Casarès in de hoofdrol)
Julia Kristeva (1988): Étrangers à nous-mêmes / Paris: Fayard / ISBN: 2-213-02177-5
Nederlandse vertaling: ‘De vreemdeling in onszelf’ / 1988; Amsterdam: Contact / ISBN: 90 254 6831 4 / NUGI 644
[Pro memorie: Meursault doet denken aan Boldwood > hardhout, uit Thomas Hardy’s Far from the madding crowd, maar Boldwood is schematischer, karikaturaler, dan Meursault].
[PM: Meursault spelbreker > Huizinga > Homo Ludens]
 
 

link >  nelpuntnl.nl